Tim was lang niet zo fortuinlijk als Robert. Sport was voor hem niet weggelegd, en ook de meisjes liepen met een boog om hem heen. Zijn dagen bracht hij liever door in de bibliotheek, waar je stilletjes in een hoekje boeken kon lezen. Zijn cijfers waren van niet noemenswaardige middelmatigheid, en ondanks zijn gevoel voor muziek bleven de meisjes bij hem weg. Niet dat Tim dat vervelend vond.

In de afgelopen maanden was er iets bij Tim gaan dagen.

Wat in het begin een unheimlich gevoel van verveemding was geweest, begon zich langzamerhand te manifesteren als een concreet idee van ‘anders-zijn’. ’s Nachts spookte steeds hetzelfde gezicht door zijn dromen. En wanneer hij wakker werd hing het er nog, op zijn netvlies gebrand.

Sinds een maand of twee was er ook iets aan het veranderen bij Robert. Iets dat hij in de eerste instantie niet kon noch wilde plaatsen, maar waar hij de laatste weken niet meer omheen kon. Robert wist het al veel langer, en had het net zo lang voor zichzelf verborgen gehouden als hij kon. Hij kon het niet accepteren, hij mocht het niet accepteren. Wie zou hij dan nog zijn? Wat zou er van hem over blijven?

Dat Tim precies een week geleden, na al zijn moed bijeen te hebben geraapt, zijn liefde verklaarde aan Robert, was behalve een totaal onverwachte gebeurtenis, vooral de laatste de druppel die de emmer deed overlopen.

In een aanval van blinde woede en paniek waren twee vuisten en een trap genoeg de jongen die zo dapper was geweest buiten bewustzijn te slaan.

Toen Tim de dag erna op school kwam gonsde het. Leerlingen hadden zich in de hal en op het plein verzameld. De stilte die normaliter in de gangen van het oude gebouw heerste had plaatsgemaakt voor druk gefluister en geroezemoes dat steeds luider en luider werd. Toen om half negen de schoolbel ging werd deze door niemand gehoord. Die dag was de dag dat er geen lessen zouden zijn en de trein van kwart voor negen haar bestemming niet zou bereiken.