De stad waar het museum zou komen leek eerst vast te staan, maar ook daarover wordt nu gediscussieerd en de geliefde canon van de vaderlandse geschiedenis, die eigenlijk de initiator van het hele miljoenenproject was, lijkt ook alweer overboord gegooid, of toch niet. Daarnaast zijn er tal van discussies aan de gang over de wenselijkheid van een museum dat zich slechts bezighoudt met de vaderlandse geschiedenis; het zou namelijk nationalistische gevoelens op kunnen wekken, of met gebrek aan een vaste collectie beter op kunnen gaan in huidige musea.

Toegegeven, Nederland heeft met bijna duizend musea de grootste museumdichtheid ter wereld en het verhaal wordt dus al talloze malen verteld.

Maar dat terzijde. Laten we eventjes doen alsof alles zeker is. Alle miljoenen van Plasterk staan op de rekening van het NHM. De heren Schilp en Bijvanck, die als directeur zijn aangesteld, mogen dat blijven en hebben een aantal concessies gedaan om het geheel wat minder abstract te maken. Een leger professionele historici zal erop toezien dat het allemaal niet de verkeerde nationalistische, subjectieve kant opgaat. Hoeveel ruimte gaan we dan besteden aan homoseksualiteit?

De acceptatie van homoseksualiteit door de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking wordt door zowel homoseksuelen als heteroseksuelen vaak aangehaald wanneer het gaat over de positie van Nederland op het internationale toneel van de mensenrechten. Homo’s mogen trouwen, kinderen adopteren, de politiek in en leraar worden. Homo’s genieten rechtsbescherming en hebben hun eigen feestdag en politiekorps. Wie aan homo’s komt, komt aan bijna alle zittende politici en zelfs geloofsgemeenschappen neigen steeds meer naar volledige acceptatie. Het lijkt hier in Nederland bijna een aards paradijs, om met de woorden van historicus James Kennedy te spreken. Nederlandse politici spelen op het internationale toneel een grote rol wanneer het gaat om discussies over de emancipatie van homoseksualiteit en dat eeuwige homohuwelijk wordt maar te pas en te onpas aangehaald wanneer men het prachtige Nederland, waar iedereen mag zijn wie hij wil zijn, beschrijft.

Dat dit lang niet altijd zo paradijselijk is zal weinig toelichting behoeven. Lang niet elke homo in Nederland kan zijn wie hij of zij wil zijn.

Dit door religeuze achtergronden, het sociale mileu waarin men is opgegroeid of de cultuur op de werkvloer. Echter, ondanks dat hebben de homo’s die er voor uit zijn gekomen, en er persoonlijk voor hebben gekozen te zijn wie zij willen zijn -ook als dit het breken met familie of vrienden heeft betekend- het retegoed voor elkaar. Alle mogelijke rechtsbescherming die homo’s zich wensen is daar. We hoeven maar aan te kloppen bij Boris van der Ham, Ronald Plasterk of Sophie in ’t Veld en de politici buitelen weer over elkaar heen om alles aan de emancipatie van homo’s te doen. Wie zich daartegen verzet wordt meteen als conservatief, slecht en niet binnen de Nederlandse maatschappij passend neergezet.

Prima, mooi, hartstikke fijn, maar ook iets dat nog niet zolang vanzelfsprekend is. Pas in 1971 verdween het laatste restje illegaliteit rondom homoseksualiteit met de afschaffing van artikel 248-bis uit het Wetboek van Strafrecht en een paar jaar later werd homoseksualiteit niet meer gezien als geestesziekte. Voor veel homojongeren die binnen eigen kringen worden geaccepteerd is de weg vrij om een gelukkig leven te leiden. Maar zodra we spreken over twee generaties ouder, hebben we het over mensen die opgegroeid zijn in woeliger tijden. Die niet altijd even makkelijk openlijk voor hun seksualiteit konden uitkomen en geen gelijke rechten genoten en daarme door de overheid werden gediscrimineerd.

Het zijn deze en oudere mensen geweest die op de bres hebben gestaan voor gelijke rechten.

Het zijn deze mensen die tegen discriminatie hebben gevochten en ervoor hebben gezorgd dat je in een string op een boot door de gracht mag varen of netjes aangekleed een kroeg mag bezoeken waarvan de ingang wagenwijd open staat en niet verborgen gaat achter een zware stalen deur met een klein luikje. Zonder hen was datgene dat wij als Nederlands zien, tolerantie en respect, en waar iedereen zo graag mee zeult of voor vecht, er niet geweest.

De geschiedenis van de homo-emancipatie is een verhaal over een strijd. Een verhaal over mensen die keihard hebben gevochten voor de gelijke rechten die zij altijd al verdienden. Het is een verhaal dat een plek in het museum waardig is, al is het alleen maar om te laten zien dat gelijkheid een leeg begrip is dat makkelijk wordt genegeerd als niet genoeg mensen er door het vuur voor gaan. Het is een verhaal dat verteld en gekend mag worden omdat het bepalend is voor de Nederlandse identiteit, en door diezelfde identiteit is bepaald. Zonder dat verhaal had jij dit niet kunnen lezen en was Nederland Nederland niet geweest.