Naar buiten starend denk ik terug aan het gesprek dat ik twee weken geleden had met een Turkse vriend die in Nederland op vakantie was. E.* had zojuist van zijn vader te horen gekregen thuis in Turkije niet meer welkom te zijn. Zijn vader was erachter gekomen dat E. homo is. E. was behoorlijk radeloos en wist niet goed wat hij moest doen. Het frustreert mij nog steeds dat ik E. niet direct kan helpen. Het contact tussen hem en zijn vader zal voorlopig niet verbeteren.

Hoe belangrijk de bijeenkomst waar ik naartoe reis ook lijkt te zijn, E. zal ik daar niet direct mee helpen.

De gedachte dat de EU steeds belangrijker wordt motiveert mij en ik probeer me weer op de presentatie te richten. Immers: wanneer het Verdrag van Lissabon straks in werking treedt, zal steeds meer buitenlandsbeleid op EU niveau gecoördineerd worden. EU landen stemmen nu al hun werk binnen internationale organisaties zoals de VN en de OVSE met elkaar af. Ook voert de EU met veel andere landen, zoals Rusland en China, een dialoog op het gebied van mensenrechten. Terwijl wij vroeger vooral bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken aanklopten voor dit soort zaken, zullen wij ons in de toekomst steeds vaker tot de EU moeten wenden. Ik realiseer me dat ik de komende jaren nog wel vaker in de trein naar Brussel zal zitten. Na een slok koffie verzet ik mij en ga weer verder aan de slag.

’s Middags geef ik samen met een collega van ILGA-Europe de presentatie. We spreken ondermeer over het belang om EU personeel voor te lichten. Veel progressieve landen willen dat hun ambassadepersoneel onderzoek doet naar de situatie van HLBT’s in het land waar zij gestationeerd zijn. Het gebeurt maar wat vaak dat diplomaten terugkomen op hun post met de mededeling dat ze geen homo of lesbienne hebben kunnen vinden. Niet zo gek: in landen waar homoseksualiteit illegaal is zullen lesbo’s en homo’s wel uitkijken om met regeringsvertegenwoordigers te spreken. Er is niet eens altijd sprake van slechte wil: vaak weten diplomaten simpelweg niet hoe ze dit soort zaken het beste aan kunnen pakken. Daarom stellen wij voor om een soort handleiding te ontwikkelen waarin dit soort zaken aan de orde worden gesteld. Het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken maakte al zo’n soort handleiding en heeft daarmee een goed voorbeeld gegeven.

Ook stellen we voor om meer geld vanuit het EU mensenrechtenfonds vrij te maken voor HLBT projecten buiten Europa. We vragen lidstaten voorts om zich te blijven inzetten om seksuele oriëntatie en genderidenteit op de agenda van de VN en de OVSE te houden. Na een serie andere voorstellen volgt een discussie met de vertegenwoordigers van lidstaten. Gelukkig wordt er enthousiast op veel van onze voorstellen gereageerd, de discussie loopt uiteindelijk met een half uur uit. En dat op de drukbezette agenda van deze werkgroep!

Aan ons de komende tijd de taak om er voor te zorgen dat men daadwerkelijk met de voorstellen aan de slag gaat.

’s Avonds reis ik in het donker weer terug naar Amsterdam. E. laat in een berichtje weten dat hij weer terug is in Istanbul. Het gaat okay met hem. Hij verblijft bij vrienden die hem steunen. Volgend weekend, als ik zelf in Istanbul ben, zal ik even geen professioneel homo zijn, maar goede vriend en E. een hart onder de riem steken. Toch hoop ik ondertussen stiekem dat mijn reisje naar Brussel op de lange termijn een kleine druppel op de gloeiende plaat zal bijdragen. Als overheden de rechten van mensen als E. steunen, dan zal dat uiteindelijk immers ook een effect hebben op de houding van ouders ten opzichte van hun eigen kinderen.

* Omwille de privacy van E, gebruik ik niet zijn volledige naam