Gelukkig sta ik hier niet alleen in. Tekenend vond ik bijvoorbeeld het tafereeltje in de trein. Een wat oudere dame, ‘oma’, zat tegenover mij met haar tachtig jaar jongere kleindochter. Maartje zat aan haar pop te friemelen toen ze opeens een serieus gezichtje maakte.

“Oma,” zo begon ze, “wat is Haïti?” Ik vond de vraag ontroerend en haar grote vragende kinderogen trokken de mijne. Oma was diep verzonken in herinneringen, maar twijfelde niet. “Daar is een aardbeving geweest Maartje,” sprak ze neutraal. Even bleef het stil in de coupé. Maartje borstelde de vlassige haren van haar pop. Ze wist heus wel van aardbevingen. Die waren gevaarlijk. “Maar wees maar niet bang, wij hebben geen aardbevingen,” fluisterde oma hoorbaar met moedergevoelens. Ik zag Maartje fantaseren over Haïti, voor haar en voor mij een onbekend eiland, ver weg, waar kennelijk iets onheilspellends was gebeurd. Het NOS Journaal had de beelden wel uitgezonden, maar die waren niet erg lang blijven kleven. Thuis zou ik wel wat geld overmaken naar 555, zo nam ik me voor.

“Misschien kunnen ze gewoon hier komen wonen oma,” zei het kind plotseling zo enthousiast dat de hele coupé opkeek en niemand de conducteur opmerkte die net binnenkwam om de kaartjes te controleren. Oma, nu in verlegenheid gebracht door haar jongere alterego, zweeg. Het leek haar niet goed. Was ze een slecht mens? Ze was heus wel idealistisch geweest hoor. Maar toen was ze jong en rook haar parfum nog niet naar alle oude mannen die ze intussen versleten had. Ze dronk nog geen koffie. Bovendien, iets in haar relativeerde alle problemen tot iets voor de jongere generatie. Haïti was te ver van haar bed.

Nieuwsgierig wachtte ik oma’s antwoord af. Ze was niet met haar tijd meegegaan en haar jeugd was nu een abstract gegeven uit een boerenland dat niet meer bestond. Dat wat resteerde was een vage, valse herinnering aan tijden die beter waren. Ze begon te rommelen in haar handtasje alsof ze daar naar woorden zocht voor Maartje. Oma was verward en straalde dit op mij af. Jammer dat ik geen handtas had om in te rommelen. Na een paar minuten, toen ik niet meer had gedacht dat oma nog iets zou zeggen over Haïti, schreeuwde ze: “Ze zouden koffie moeten verbouwen!” Maartje schrok en begon te huilen.

Ik dacht erover na. Wat een dement antwoord. Zouden ze in Haïti koffie drinken? Nee, het is er heel anders dan hier. Daar woedt een strijd om overleving die alleen de sterksten zullen winnen. De economie draait om mango’s en toerisme, maar beide sectoren zijn door omstandigheden, die aardbeving, in een aperte staat van ontbinding. Om het land te redden moeten ze geld aan trekken. Haïti heeft geen olie, geen goud en al helemaal geen kaviaar. Maar wel een prachtig Zuid-Amerikaans klimaat. Koffie is bruin goud en was zo’n gek idee nog niet!

Oma draaide haar hoofd naar het raam en begon te neuriën. Maartje huilde al niet meer. Ze was het alweer vergeten.