"Ik ben Bas, 3 jaar lang gepest op school, de MEAO. Vanaf mijn 14e deden jongens me na; ze maakten me belachelijk op het schoolplein, in de gangen. Een hel voor me. Echt een nachtmerrie. Iedereen wist het van me, alleen ik zelf nog niet. Zo klote om, met het kwetsbaarste van mezelf, zo over straat te moeten".

Terwijl hij het vertelde merkte ik dat hij diep zuchtte. Hij zei: "Iedereen om me heen lijkt zo makkelijk zijn homoseksualiteit te accepteren, maar ik niet. Kut! Ik schaam me bijna om het u te vertellen. Op mijn werk doen collega’s me achter mijn rug soms na. Gewoon omdat het zo aan me te zien is. Ik vind dat vreselijk. Het liefst draai ik me om; zeg: 'Hier! Zeg het recht in me bek!’"

Hij wijst daarbij akelig dicht bij zijn gezicht en klinkt quasi-stoer. Ik zei: ‘Het zou mooi zou zijn als je dat kon; of er bijvoorbeeld luchtig met humor op zou kunnen reageren. Maar, het lijkt erop dat het je raakt op oude pijn. Het pesten op school?‘.

Hij zuchtte weer en zakte wat opzij in zijn stoel, alsof hij ergens tegenaan wilde leunen. Ik liet het hem opmerken en gaf hem een kussen om tegenaan te leunen. Alsof hij in een ander gevoel terecht kwam, zei hij zachtjes: ‘Ja.’ Hij vertelde dat zijn ouders gescheiden zijn toen hij twaalf was. Het contact met zijn moeder was goed; ze keken altijd samen films in die schooltijd. Met pa was het minder; hij zag hem niet zo vaak. Hij keek uit het raam en zei: ‘Ik heb het gevoel dat ik geen goede zoon voor hem ben geweest.’

“Ik voel me schuldig dat ik homo ben. Het was alsof zich ineens een nieuw inzicht aan hemzelf openbaarde. Hij toonde zich er verrast over. Ik heb hem altijd wat ontlopen. Ik praatte niet over dit soort dingen.” ‘Welke dingen?’, vroeg ik. Hij zei gespannen: “Over dat ik homo was, dat ik gepest werd. Ik voelde me slecht.” Ik vroeg hem of hij spanning voelde, en waar hij die spanning in zijn lijf voelde. Hij zei tussen z’n schouderbladen.

Hij begon te huilen.

Toen ik hem vroeg wat hem verdrietig maakte, zei hij: ‘Ik voel me zo schuldig‘. Ik vroeg waarover. “Dat ik hem moest vertellen dat ik zo was. Ik had zoveel spanning op mijn 16e. Ik wilde helemaal niet zo zijn. Maar ik hield het niet van de spanningen op school. Ik wilde het hem toen ook nog niet vertellen, maar ik moest wel.”

Hij begon nerveus met zijn vingers te trommelen en wilde al opstaan. Hij wilde het met zijn vader gaan uitpraten. Ik vroeg hem nog even te blijven. Ik bevestigde dat het heel goed is om met je vader er alsnog over te praten. Voor je vader te gaan staan en te zeggen dat je homo bent en dat je het liefst van hem hoort dat hij je OK vindt als homo. En dat je hoe dan ook je eigen leven gaat leiden.

Ik vroeg hem wat hij van z’n vader wilde.

“Met hem praten”, zei hij. Ik vroeg door: ‘Om contact te hebben?’ Ja, zei hij. ‘Kan het zijn, dat je hem gemist hebt?’ Hij zei dat hij weer die spanning in zijn rug voelde. Ik vroeg hem zich voor te stellen dat zijn vader daar een hand legde; precies daar bij zijn schouderbladen: ‘Wat zou je dan het liefste willen horen van jouw vader?’

“Jesus, zeg. Da’s heftig”. Ik moedigde hem aan: ‘voel zijn hand maar‘. Hij zei: “De hand op mijn rug zou me zeggen: ‘Het is goed zo, jongen. Je bent OK. Zo OK!‘.” Hij begon weer te huilen: “Ik heb mijn vader zo gemist toen ik 14 was, ik heb me zo rot gevoeld op school.” Je bent bang geweest, vroeg ik. “Ja, heel bang”, fluisterde hij. Ik: ‘Hoe is het nu om die hand te voelen van je vader?’ Hij zei: “Veilig. Heel veilig!” Langzaam klaarde zijn gezicht op… Nu Bas het ‘Ik ben OK- gevoel’ weer kende, heb ik hem daarna geholpen in zijn kracht en weerbaarheidgevoel naar collega ’s en ‘de jongens op school’ te komen.

* de naam is gefingeerd.