In de vreemdste variant zitten er alleen zeehonden in de zaal waarop ik briljant improviserend besluit om trucs met een bal te doen, de zeehonden klappen, ik buig af en Leny ‘t Hart geeft me een bosje bloemen.

Op 24 april speel ik de première van mijn voorstelling “Solo” in theater Diligentia in Den Haag.

Dat is een mijlpaal in mijn carrière die vooralsnog twaalf jaar lang heeft bestaan uit veel, heel veel kleine optredens en die pas de laatste jaren gestaag gegroeid zijn naar de grotere zalen. Ik doe al weken net alsof ik daar geweldig cool en relaxed mee om ga, maar feitelijk vind ik het zo belangrijk dat ik bijna dagelijks hele rare dingen denk en droom.

In de meeste (dag)dromen heb ik een black-out midden in een scène en wordt het ijselijk stil, ik staar het publiek in en zie ik mijn moeder midden in de zaal zitten met zo’n blik van: “Zie je nou wel dat je een normale baan had moeten kiezen?” Soms droom ik dat ik midden in een scène van het podium afpleur omdat ik nou eenmaal vlakke vloertheaters gewend ben. Oh en natuurlijk is daar ook nog de variant waarin een journalist me zo slecht vindt dat ik voorpaginanieuws ben: “Robbert Jan Proos valt door de mand!” Ondertitel: ”Kan iemand deze jongen vragen om onmiddellijk op te houden met dit soort vreselijke shows?!”

Premièrestress, elke artiest kent het.

Youp van t hek schijnt nog voor zo’n elke voorstelling misselijk te zijn en liever naar huis te willen. Ik vraag me ook regelmatig af waarom ik mezelf die kwelling eigenlijk wil laten ondergaan. Hoe groter de zaal is, hoe erger namelijk het lot van de avond van nog meer mensen in jouw handen. Mensen die hun kostbare zaterdagavond hebben opgegeven om naar jou en je geneuzel te gaan kijken en luisteren. En dus moet je verplicht koeileuk zijn anders dan wachten ze je op bij de voordeur met hooivorken en zo (ik kom uit Zeeland hè, daar doen ze dat soort dingen nog).

Tot vannacht... Want alles was ineens anders.

Ik zat in ‘De Wereld Draait Door’ en Matthijs van Nieuwkerk wilde alles weten over mijn fantastische show en vooral ook hoe het toch mogelijk was dat ik zo lang onontdekt was gebleven. Leny ’t Hart was tafeldame en verkondigde dat ze de leukste avond van d’r leven had gehad en in het publiek zag ik mijn moeder zitten naast twee enthousiaste zeehonden. Ze keek naar me met een blik van:”Ja, dat zal wel maar als je dokter was geworden hadden mensen er tenminste wat aan gehad...”