Omdat mijn omgeving mij ervan wist te overtuigen dat ik niet op de voorspellende gaven van een weekdier moest vertrouwen, keek ik zondagavond toch. Een grote fout. Met een profeet als Paul de inktvis hoef je de wedstrijden eigenlijk niet te spelen. Dit WK had administratief afgedaan kunnen worden. Dat was misschien maar beter geweest ook, want het toernooi was eigenlijk niet om aan te zien.

Het WK 2010 kreeg dan ook de finale die het verdiende. Een spuuglelijke wedstrijd, die slechts voor Spanjaarden en Nederlanders te pruimen was. Alleen dankzij de spanning overigens. Spanje was uiteindelijk het minst slecht, maar Nederland had net zo goed kunnen winnen. De loftuitingen voor de Spanjaarden zijn zwaar overdreven. Na een moeizame groepsfase won het land vier keer op rij met 1-0. Efficiënt hoor, maar echt niet het magistrale team dat sommigen ervan maken. Geen schim ook van de ploeg die twee jaar geleden overtuigend Europees kampioen werd. Toen de fraaie aanvallen nog een eindstation kenden.

Het in extreme mate bejubelen van de tegenstander is een manier om je eigen verlies te verzachten.

De realiteit is dat Nederland dit Spanje met gemak had kunnen verslaan, als het zelf niet zo zwak had gespeeld. Wij hoeven ons er echter niets van aan te trekken dat de internationale media ons nu met de grond gelijk maken. Wij zouden ons voetbal verloochenen en een ordinaire schopploeg zijn geworden. Volgens schrijvers uit landen die zelf al tientallen jaren spelen zoals Oranje dit toernooi deed. Maar wij hoeven ons niet te verantwoorden tegenover de voetbalwereld. En zeker niet tegenover de Engelsen. De Engelsen nota bene, die een lachwekkende ploeg naar dit toernooi stuurden en de finale bovendien opzadelden met een harlekijn in een scheidsrechterspak.

Wekenlang was ik door ons zakelijke spel en de onoverwinnelijke uitstraling overtuigd van onze eerste WK-titel. De kater is nu echter minder groot dan je zou verwachten. Waarschijnlijk komt dat omdat we simpelweg geen aanspraak konden maken op meer. We hebben het zelf laten liggen in de finale.

De rondvaart door de grachten, die er nu toch ineens komt, laat ik dan ook schieten.

Ibi Afellay kan als altijd wel op een persoonlijke huldiging rekenen. En donderdag zit ik alweer in het stadion bij FC Utrecht tegen het Albanese SK Tirana. De aftrap van mijn achtste jaar als seizoenskaarthouder bij de Domstedelingen. Want het is precies zoals een vriend van mij tegen zijn echtgenote zei toen ze op een feestje vroeg of het nu alwéér over voetbal ging: “Het mooie aan ons mannen is dat we de dag na de finale meteen ophouden over het WK.” Om daar na een korte stilte en een hoopvolle blik van haar zijde aan toe te voegen: “Dan gaan we namelijk naadloos over op de competitie.”