Hij omschreef zijn probleem zo: “Ik kan alleen maar vriendjes in het buitenland hebben. Pas toen ik op stage was in Engeland, had ik een tijdje mijn eerste vriendje. In Nederland lukt het me om een of andere reden niet. Ik sta in het weekend op het hoogste podium van gayfeestjes, ik pik dan wel ’s iemand op. Op maandag leid ik mijn team, alsof ik geen heftig weekend heb gehad. Het wordt nooit serieus wat met een jongen.”

Ja, hij had gelijk. Hij leek echt ‘een hetero’ in zijn gedrag. Elke keer kwam hij wat stoer binnen. Nam meteen de leiding over het gesprek; vroeg flink door over hoe het met me ging, etc. Zelf was hij wat onaangedaan en in de gesprekken weinig toegankelijk op zijn gevoelens. Als je niet beter wist, zou je nooit denken dat hij homo was. Zijn vader had als reactie op zijn coming out gezegd dat hij ‘er niet zo uit ziet’. En dat klopte. Overigens een weinig begripvolle opmerking. Onbewust had hij zich als jongen goed ingedekt tegen de onvriendelijkheid van zijn vader. Hij onderdrukt zijn kwetsbare gevoelens, net zoals veel heterojongens. Hij huilt zelden. Ook zijn homoseksuele gevoelen onderdrukt hij. ‘Niet teveel voelen’ is zijn devies.

Vaak zijn het homomannen die een heel mannelijk zelfbeeld hebben ontwikkeld.‘Being gay’ past niet in hun plaatje. Nu houd ik helemaal niet van stempeltjes, maar een beetje overdrijvend noem ik ze wel eens ‘de hetero-homo’s’. De homoman met (nog) stereotiep heterogedrag. Ze hebben een soort natuurlijke dominantie; ze houden graag de regie. Het zijn de homomannen die makkelijk en goed managementtaken vervullen. Ze hebben autoriteit. In relaties hebben ze vaak een zachtere vriend. Problemen in de relatie ontstaan vaak doordat beiden niet met deze competitieneiging om kunnen gaan.

Het zijn vaak jongens die in hun puberteit veel openlijke strijd hebben gehad met hun vader. Vaak een sterke, wat koude vader. Ze hebben geleerd niet onder te willen doen. Ze zijn dus ook wat competitiever ingesteld dan andere homojongens. Deze hebben daarentegen een zachte, wat afwezige vader gehad waarbij dit alles niet speelde.

De coming out van de hetero-homo is vaak ook verlaat. Hij heeft tijd nodig om de zo tegengestelde kanten van zichzelf bij elkaar te brengen. Vooral omdat hij neigt als een hanige heteroman te denken. Deze heteroman denkt immers dat kwetsbaarheid laten zien, gevaarlijk is. Dat hij dan zijn gevoel van eigenwaarde verliest. Intimiteit met mannen is dan ook bedreigend. Deze mannen zijn bang eraan onderdoor te gaan. Rustigere heteromannen hebben geen moeite met een zekere intimiteit tussen mannen. Hanige heteromannen zeggen niet voor niks dat homo’s ‘aan je kont zitten’ etc. Ze zijn bang dat intimiteit met een man leidt tot onderdrukking of zelfs seksuele overweldiging. De meeste homomannen blijven altijd wel een beetje ‘een jongen’ van binnen en zitten hier niet echt mee. Voor de hetero-homo is het allemaal nog te verwarrend.

Op de vijfde sessie kwam hij wat ontdaan binnen. Hij was door een beveiligingsbeambte in een winkel ruw de zaak uitgegooid. Hij had niks gedaan, maar werd voor een ’verkeerde’ aangezien. Weg stoerheid. Hij was aangeslagen en in een gevoel van kwetsbaarheid terecht gekomen. Dat ging met hem op de loop. Hij had in dat contact dezelfde kou ervaren waarmee hij was opgevoed door zijn vader.

Dit bood een kans om verder te komen in de therapie. Hij oefende zich eerst in die sessie in het zich verweren tegen een ingrijpen van die beveiligingsbeambte. Dat ging heel gevoelsmatig; letterlijk de terugvechtimpuls in zijn lijf opzoeken. Hiervoor gebruik ik de SMPT-methode voor (zie column De nachtmerrie van het pesten). Hij voelde zich hierdoor weer gesterkt. Plots zei hij zich verdrietig en eenzaam te voelen.

Het teruggeworpen zijn op jezelf. Hij voelde niet alleen de kou van die situatie , maar ook de kou van het onafhankelijke, van het zelfgevonden isolement als ‘stoere‘ jongen. Hij klonk wat verdrietig. Ik steunde hem, legde een hand op zijn schouder. Ik vroeg hem van wie hij het meeste steun nodig gehad heeft in je leven? Hij zei: “Van mijn vader.” Ik vroeg hem hoe oud hij zich nu voelde. Hij zei elf / twaalf. Hij verzachtte wat in zijn gelaat.

‘Wat zou papa tegen je zeggen nu’, vroeg ik hem. Ik gebruikte bewust het woord ‘papa’. Een woord dat eigen herinneringen aan de jeugd oproept. Ik was erop bedacht volgens een leermeester, de psychotherapeut Al Pesso, dat ‘het kind in jezelf’ bij een verstoorde ouder/kind-relatie dit contact onbewust wil repareren.

Ik vroeg het hem nogmaals, nu wat zachter. Hij stamelde wat onzeker: “Iets van ‘jongen, ik sta achter je’.” Ik stelde hem voor mijn stem even symbolisch als de stem van zijn vader te zien, en ik zei: “Ik sta achter je.” Ik herhaalde het een paar keer duidelijk met een vriendelijke stem. Hij zei dat het hem overviel met een gevoel van gelukzaligheid. Het deed hem zichtbaar goed. Hij verliet de spreekkamer niet stoer maar blij. Hij zat in zijn gevoel. Ik gaf hem het advies mee deze ervaring met zijn vader te delen bij hun volgende etentje.