Een uur eerder was ik op weg gegaan naar Culemborg, waar ik Sinterklaas wilde vieren bij mijn ouders. Op Leiden Centraal staat een aantal mensen bij een servicemedewerker. Een bejaarde vrouw manoeuvreert zich tussen mij en de man. Als ze haar mond opent, zeg ik haar vriendelijk dat ik er eerder stond en vraag de man hoe ik in Utrecht moet komen. Ze schudt haar hoofd. “Onbeschaamd!” Zeg dat.

De NS-man zegt dat ik via Amsterdam of Den Haag kan reizen en dat ik kan kiezen. Hij herhaalt beide stellingen drie keer. Steeds lijkt het alsof hij iets nieuws wil zeggen, waardoor ik toch blijf luisteren. Bij de vierde keer besluit ik hem te bedanken en te proberen de stoptrein naar Den Haag te halen.

Daar aangekomen staat overal op de borden dat er niets naar Utrecht rijdt.

Volgens de NS-man wisten ze dat in Leiden al. Ik moest naar Rotterdam gaan. Zo'n beetje alle mensen om hem heen willen naar Utrecht. Met de hele groep rennen we naar perron 1, waar de intercity naar Rotterdam klaar staat. De conducteur ziet ons aankomen, blaast op zijn fluit en sluit de deuren. Verbijsterd zie ik de trein wegrijden.

De volgende trein naar Rotterdam gaat dik twintig minuten later. Voor ik ga zitten, smijt ik mijn muts en sjaal op de stoel. Een oude man kijkt me doodsbang aan. Mijn groet lijkt de pijn niet te verzachten. Hij blijft me angstig aangapen. Bij Schiedam staat de trein tien minuten stil. Honderd meter verder nog eens. En kort voor Rotterdam Centraal nog een keer.

Een nauwelijks verstaanbare stem mompelt iets over rode seinen. Hij bedankt ons voor ons geduld. Ten onrechte, als ik zo naar de gezichten om mij heen kijk.

Het kost me drie aansluitingen naar Utrecht. In Rotterdam wurm ik mij met moeite uit de trein. Het perron staat compleet vol. Een jongen in uniform probeert er met een karretje koffie doorheen te komen. Hij kijkt me wanhopig aan. Als ik eindelijk een trap heb bereikt, roept een dame om dat er geen treinverkeer naar Utrecht mogelijk is. Ik kan wel naar Gouda. De meerwaarde van dat laatste bericht ontgaat me.

Ik kijk om en zie achter de mensenmassa de trein verder rijden naar Dordrecht. Precies de plaats waar ik nu ook heen wil. Vanuit Dordrecht kun je normaal gesproken naar Geldermalsen. En Geldermalsen ligt dicht bij Culemborg. Het was dus fijn geweest als de mompelstem al in de trein had gemeld dat ik niet naar Utrecht kon. Ik vind de volgende trein naar Dordrecht, die tien minuten geleden al had moeten vertrekken.

“De stoptrein naar Dordrecht vertrekt vanaf spoor 3.” We horen het gedurende twintig minuten een keer of vijf. “Doe dat dan ook”, bromt de man naast me.

Uiteindelijk bereik ik Dordrecht. Ik moet nog twintig minuten wachten en besluit eindelijk iets te eten te halen. Ik leef de hele dag al op zes beschuitjes. Het AH-to-go-meisje kijkt me schaapachtig aan als ik op een bonnetje vraag. “Ik ga alles declareren”, verduidelijk ik. Ze lijkt het niet te snappen, maar ik krijg mijn bonnetje.

De trein vertrekt op tijd. De conducteur heeft het lef om kaartjes te controleren. Ik bereid me al voor op een confrontatie, maar hij knipt mijn kaartje Leiden-Culemborg alsof het volstrekt normaal is dat ik net langs station Hardinxveld-Giessendam ben gereden. Uiteindelijk lopen we geen minuut vertraging op. Voetnoot: de lijn Dordrecht-Geldermalsen wordt niet door de NS, maar door Arriva geëxploiteerd.

Ik stap uit en zie de trein naar Culemborg aan de overkant aangekondigd staan. Ik knipper met mijn ogen en de trein verdwijnt van het bord.

Tien minuten later wordt omgeroepen dat die trein vandaag niet kan rijden. De volgende mogelijkheid is over een halfuur. Gelukkig is mijn vader inmiddels over de spekgladde provinciale wegen op weg om mij vijf uur na mijn vertrek uit Leiden op te halen.

's Avonds hoor ik de woordvoerder van ProRail verklaren dat men de sneeuw zag aankomen. “We hebben gehandeld zoals we van plan waren. We zijn dan ook blij dat we vandaag in Nederland de treindienst hebben kunnen laten rijden.”