Ze hadden haast want de wolven begonnen alweer te huilen in het schemerduister. De jongemannen hadden het koud. Ze moesten er wel op uit, arm als ze waren. Moeder was dood. Toen ze nog leefde verdiende ze nog een aalmoes, met haar lijf. Helaas, een jaar geleden was ze door een wolf verscheurd; nota bene in hun eigen huis. Een wreed en tragisch drama. Reinart had uit angst voor ‘het donker‘ de schuurdeur ’s nachts open laten staan. Die nacht kwamen de wolven hun huis binnen, hongerig naar mensenvlees. Die bewuste nacht.

Alewijn’s hart bloedde sinds die tijd. Toch wist hij zich te wapenen met stoerheid. Hij heeft het Reinart nooit kunnen vergeven. ‘De lafaard’ zegt telkens een zwarte stem in hem. De dood van hun moeder was zijn schuld. Hij verachtte en schaamde zich voor hem, maar toch kon hij niet anders dan hem liefhebben. Zijn broer, een angsthaas. Sindsdien werd Reinart door schuld en eenzaamheid verteerd.

In het schemerduister komen de wolven. Wanneer ze bloed ruiken gloeien hun ogen, hangen hun bekken open en hangt hun rode tong eruit. Reinart wist dat er in het woud een oude wijze woonde. ‘Laten we oostwaarts gaan’, riep Reinart angstig. ‘Dan komen we bij de wijze!’ Maar Alewijn riep stevig: ‘Kom op, naar het westen. Daar is het nog licht‘.

Ze ploegden voort door de sneeuw die steeds dikker werd. Opeens een gil. Alewijn zag Reinart oog in oog staan met een wolf. Het was een grote, oude wolf, zeker tweeënhalve meter, met glazige ogen, een ruige vacht, hoorbaar hijgend en met zijn opengesperde neusgaten vooruit. De borstkas van het geweldige beest ging heftig op en neer. Klaar voor de sprong. Alewijn verlamde, Reinart keek het roofdier strak aan.

‘Ogen neer!’, riep Alewijn. Hij wilde zijn broeder helpen, maar kon niks doen. Hij wist dat een van hun tweeën nu ten dode opgeschreven was. Dichterbij komen was zijn doodvonnis, weglopen zou de wolf naar zijn levensliefde Reinart doen gaan. Alewijn kon zelf niet anders dan met grote ogen naar de rode, lispelende tong van de wolf kijken. Langzaam kwam hij naar voren. Hij liep op de wolf af….

Het dier zwenkte zijn kop; de bloeddoorlopen ogen loerden hem aan. Het reetje lag er dood bij. ‘Gooi de ree naar hem toe‘; siste hij tegen Reinart. Reinart wist dat het dode dier te ver weg lag. Alewijn trok langzaam zijn mes uit zijn schede. Het dier loerde weer naar hem. De afstand was niet meer dan vier meter. ‘Beweeg je niet’, zei Reinart angstig, zijn hart klopte in zijn keel. ‘Ik steek ’m zo neer’, siste Alewijn. ‘Nee’, bracht Reinart uit, ‘hij bijt je hand af’.

‘Ga liggen‘, zei Reinart. ‘ben je gek geworden!”, Alewijn hapte naar adem. ‘Ga liggen’, herhaalde Reinart. Alewijn had nog nooit zo’n krachtige klank in zijn stem gehoord. Hij zakte op zijn knieën. Hij begon te bibberen. Reinart kreeg een idee: ‘Steek je mes met het heft in het hout! In de spleet van die stronk naast me. Met de punt omhoog!’ Alewijn wrikte het heft in het hout. Vlak erna liet Reinart liet zich met een kreet tegen Alewijn aan vallen. Terwijl hij viel nam het enorme dier een sprong naar de beide mannen. Reinart duwde de boomstronk boven hen; het dier jankte in de lucht. Het mes aan de stronk boorde zich diep in zijn karkas.

Happend naar adem kwamen de mannen overeind. Alewijn keek Reinart aan; hij gloeide van trots. Hij omhelsde hem. Toen hij hem vasthield, zag hij een gestalte aan de rand van het woud. In de verte klonken verlokkende klokken. Er verscheen een blauw-regenboogachtig licht tussen de witte dennen. Was het nou het gezicht van hun geliefde moeder? Het leek wel een luchtspiegeling. Was het de zalige glimlach van een andere vrouw? Ze was omcirkeld door vijf vlammende toortsen in een stervorm. De glimlach zei tegen Alewijn. ‘Hout, vriend! Hout zal altijd jouw vriendin zijn‘. En tegen Reinart: ‘Je lemmet, vriend. Metaal zal altijd jouw vriendin zijn’. Reinart zag er een vrouw in die hem zeer vertrouwd was. Hij wist het zeker: het was niet moeder.

Het begon harder te sneeuwen. Zij vroeg hen: ‘Hoe kom je thuis?’ Alewijn zei: ‘Naar het licht. Dan zie ik waar we zijn‘. Nogmaals vroeg de vrouw nadrukkelijk aan beiden: ‘Hoe kom je thuis?’ Alsof Reinart het begreep, zei hij subiet tegen Alewijn: ‘Snij de ree aan stukken, en werp de vleeshompen in het woud. De wolven zullen daar blijven zoeken‘. Weer keek Alewijn zijn broer met ontzag aan. Zijn hart ging voor hem open. Terwijl hij hem omarmde voelde hij zijn mes tussen hen in tegen zijn been drukken. Zijn mes, en hij wist, dat hij Reinart kon vergeven.

De wolven jankten weer in de verte. Toen hij weer opkeek, was de luchtspiegeling weg. Ze waren op zichzelf aangewezen, maar voelden zich gesterkt door hun overwinning. Nadat ze de stukken vlees uit tussen de stammen hadden geworpen, maakten ze zich snel uit de voeten.