Ik geloof niet meer in herstel.
Plotseling barst de bom.

“Vorige maand had ik er iets aan moeten doen,” zo vertel ik Frégère. We zitten in het café tegenover het beursplein, in Amsterdam. Hij luistert, ontroerd, aangeslagen net als ik. We zijn beiden van ons stuk gebracht en kapot. Ontredderde aandeelhouders stuiven nu en dan door de draaideuren van de beurs, de angst zichtbaar op hun gezichten. Zij besturen achter monitor en brillenglas een wereld die niet de onze is, niet de werkelijke althans, maar evengoed een wonderlijke. Het is om deze wereld dat ik huilen moet, want ze sterft aan de overkant van de straat. Binnenkort gaat voedsel op de bon en verandert de supermarkt in een Cubaans eetloket. Wonderbaar, dat als de prijzen stijgen niets meer waarde heeft. Ik ben geen econoom. Mijn onwetendheid tempert mijn cynisme en maakt soms ruimte voor een flepse, zijdelingse hoop. En toch ben ik bang. Nu al wordt ieder uur de prijs van mijn kop koffie verhoogd. “Heb je ergens spijt van?” vraagt Frégère.

Er klinkt een sirene. Zwaailichten tekenen het straatbeeld.
Wat doe ik hier? Ik verdoe mijn dagen.

Zonder blijk te geven van desinteresse, staart ook Frégère naar de chaos buiten. Onvoorstelbaar veel geld verdampt; even later ook letterlijk, als ik zie hoe de barman zijn kassa leegt in de haard om het vuur aan te wakkeren. Iemand laat zenuwachtig een kopje uit zijn handen vallen, dat rinkelend versplintert op de vloer.

Temidden van het grimmige gedrang op straat breekt een ruzie los. Twee aandeelhouders slaan met gele papiertjes in elkaars vuurrode gezichten. Ik luister aandachtig naar scheldwoorden die ik nooit eerder heb gehoord – de mensen in het café kijken nu allemaal naar buiten. Frégère, mijn lieve Frégère, hij wacht geduldig op antwoord op zijn vraag.

“Ik heb niets gedaan om deze crisis te voorkomen,” geef ik toe, onder de indruk van mijn eigen emotie. Gestimuleerd door Frégères vragen leg ik uit dat ik de koopkracht had kunnen voortstuwen en de economie had kunnen aanjagen. Iedere actie heeft immers cruciale consequenties voor de wereld. Hoe klein ook. In vol bewustzijn koos ik er echter voor om op te gaan in de doemende stroom van mensen en geld; ik koos ervoor om niets te doen.

De ober onderbreekt ons gesprek. Of we zo willen betalen, want het café gaat dicht. Midden op de dag al? Vreemd, maar niets aan te doen. Gaat u ons geld ook in het vuur gooien? We zullen zo betalen. Prima.

Frégère: “Had je dan iets kunnen veranderen?”

Nu, dat woord, veranderen, brengt een nieuwe hersengolf tot stand. Ik nuanceer dat ik ook nooit op de pof leefde en dus ook geen bijdrage heb geleverd aan de kredietcrisis. Misschien had ik het niet beter kunnen doen. Mijn leven was er een van ingetogenheid en altruïsme. Een teruggetrokken bestaan zonder contact met anderen. De goedkoopste magnetronpopcorn als mijn enige plezier.

Daar gelooft Frégère niets van!

Hij heeft gelijk. (Frégère heeft immers altijd gelijk.) Mijn bijdrage aan het zandkasteel van de financiële markt is noch goed noch slecht geweest, en überhaupt slechts een illusie. Ik had de economie nooit lang draaiend kunnen houden.

Buiten escaleert de situatie. De sirenes loeien hysterisch en angstige toeristen werpen hun machteloze armen de hemel in. Gekostumeerde mannen vluchten het beursgebouw uit, de draaideur zwiept en tolt en kraakt, en begint al smeulenderwijs te branden.

“Het gebeurt,” sust hij. Frégère pakt mijn hand en knijpt erin. De rookpluimen verhevigen, maar de brandweer kan er niet bij. Schreeuwende mensen vertrappen elkaar.
Hij sluit zijn ogen. Frégère wil de ondergang niet zien. Voorzichtig breng ik het laatste theekoekje naar zijn mond. Hij eet ervan. Mijn laatste kapitalistische daad.

Grapje.

Marco van Woerden