Mijn moeder was in de tuin de was aan het ophangen en zei dat ze zo thee zou zetten. Ik liep naar binnen en zette de tv aan. Er was een gesprek met Charles Groenhuijsen aan de gang. Ongebruikelijk in een middagbulletin van het journaal. Teletekst maakte duidelijk waarom: “Vliegtuigen boren zich in World Trade Center”. Het drong niet helemaal door. Ik kende de Twin Towers en ik kende de naam World Trade Center, maar ik kon beide niet direct aan elkaar koppelen. Wel had ik door dat het om New York ging en dat het vreemd was dat er 'vliegtuigen' stond. In meervoud. 

Toen ik de beelden zag, begon ik een beetje te begrijpen wat er aan de hand was. De beelden fascineerden me. Spectaculairder dan vele rampenfilms. Maar dit was echt. Ik kreeg er geen genoeg van. De volgende dag legde mijn docent geschiedenis in zijn Friese accent uit dat Amerika in het hart geraakt was. En dat het dus maar één ding kon doen: “keihard terugmeppen.” Mijn docent Latijn was het daar niet mee eens. Tijdens onze Rome-reis een week later sprak hij zich luidkeels uit tegen de aanstaande oorlog in Afghanistan. Ik vond hem een idioot. Tijdens diezelfde reis zag ik vanaf de Palatijn een vliegtuig richting de Sint Pieter vliegen. Mijn hart stond even stil.

Ik was zestien jaar.

11 september heeft de wereld veranderd. Maar het heeft ook mij gevormd. Er werd die dag bij mij een angst geboren. Angst voor een mysterieuze, onbekende religie. President Bush benadrukte dat Amerika in oorlog was met het terrorisme en niet met de islam. Ik hield een presentatie op school waarin ik betoogde dat Bush' beleid niet deugde: hij moest de islam juist wél de oorlog verklaren. Ik wilde hoofddoekjes verbieden en de grenzen sluiten. Ik wilde die enge religie uitroeien.

Toen kwam Pim Fortuyn op. Hij zei wat ik vond. Ik zag hem als een soort profeet, al moest ik van zijn populistische trekjes niet zo veel hebben. Ik vertelde iedereen dat Fortuyn nu nog voor racist werd uitgemaakt, maar dat over tientallen jaren iedereen zou zeggen dat hij het destijds goed gezien had. Maar dat het dan misschien al te laat was. Hoewel Fortuyn een gillende nicht was, werd hij enorm populair. Dat maakte me zelfverzekerder, waardoor ik zelf na jaren van onzichtbaarheid ook populair op school werd. En in de winter van 2002 uit de kast durfde te komen.

Fortuyn werd vermoord en ik ging politicologie studeren.

Langzaamaan werd ik gematigder. Populisme ging me steeds meer tegenstaan. Steeds meer begreep ik dat ik ongelijk had. Dat 'de' islam helemaal niet bestaat. Dat verreweg de meeste moslims ook gewoon in vrede willen leven. Dat de waarden die ik wilde beschermen, de rechtsstaat en de vrijheid, helemaal niet bedreigd worden door de islam. Dat die waarden juist betekenen dat ook moslims recht hebben op de vrijheid van godsdienst. Dat het eerder de fanatieke nationalisten zijn die onze kernwaarden van binnenuit bedreigen, door het promoten van repressieve maatregelen, het inperken van de rechten van minderheden en het ondermijnen van instituties als het parlement ('zakkenvullers') en de rechterlijke macht ('ivoren toren').

Ik heb er tien jaar over gedaan om tot die inzichten te komen. Toen ik vanochtend wakker werd en hoorde dat Amerikaanse troepen Osama Bin Laden gedood hadden, kwam een euforisch gevoel boven. Ik voelde me weer even zestien. Bin Laden was voor mij en voor een groot deel van mijn generatie niets minder dan de verpersoonlijking van het kwaad. 

Ik besef daarom nu hoe bijzonder het was om zestien te zijn op 11 september. 

Ik begon net mijn meningen te vormen toen de torens vielen. De invloed van die dag is dus onvoorstelbaar groot geweest. Het liberalisme heeft de angst voor de islam verdreven, maar daar is tien jaar overheen gegaan. Voor mij is nu een periode definitief afgesloten. Met Bin Laden is het laatste restje puberale angst in mij gestorven.

Roelof Smit