Zo gaan ze al een tijd door het leven. De laatste tijd begint het alleen te knellen. Stefan gaat zich meer afsluiten en Ben gaat hem meer op de huid zitten. Ruzies volgen elkaar op. Een klassiek patroon bij relatieproblemen. De ‘Bens’ trekken aan de bel en slepen hun ‘ongevoelige’ partner mee naar de relatiecoach.

Vroeger dacht ik, dat Stefan typisch manlijk was en Ben typisch vrouwelijk. Toch hielp dat niet zo. Het probleem zit dieper en moet daar ook worden aangepakt. Moderne neuropsychologie zegt, dat mensen in relaties ‘auto-reguleren’ of ‘interreguleren’. Ben, die meer interreguleert, kan zichzelf niet zo goed kalmeren. Hij heeft daar zijn partner voor nodig. Hij is bijvoorbeeld degene die altijd moet praten. Stefan kan goed autoreguleren. Spanningen verwerkt hij in zichzelf. Hij is niet goed in ‘praten’.

Deze stijlen komen voort uit hoe je vroeger thuis spanningen hebt leren verwerken. Als je een kind was dat veel naar mama rende als het onveilig werd, heb je kans dat je een interregulator bent. Als je als kind kalmpjes bleef doordromen bij spanningen, ben je meer een autoregulator.

Ben komt dus tot rust door ‘over dingen te praten’. Stefan moet daar niet veel van hebben. Stefan gaat liever wandelen, de auto poetsen of muziek luisteren. Ieder zijn meug, zou je denken. Ben wordt er alleen helemaal dol van. Hij wil juist praten. Hij raakt uit zijn dak van het gebrek aan respons en gaat Stefan verwijten, dat hij een autist is, etc.

Stefan, die eigenlijk moet leren wat meer te ínterreguleren, wordt niet bepaald aangemoedigd door het geschreeuw. Hij gaat zich ervoor afsluiten. Soms gaat het wel goed en merkt Stefan dat hij ook blij is dat ze zaken hebben uitgepraat, bijvoorbeeld over de seks met elkaar.

Maar ja, je snapt wel, dat het maar een tijdje goed gaat. Prompt gebeurt er wel iets, waar Stefan van slag van is. Dan zijn de rapen gaar. In onze coachingssessies heb ik hen dit uitgelegd. Ze begrepen het meteen en herkenden het ook van zichzelf. Ben. “Oh ja, dat is zo! Zo ben ik. Ik heb zo’n moeite om me in te houden. Als ik ergens wat van vindt, dan zeg ik het. Maar ja, het lost niet altijd wat op. Ik word vaak alleen maar bozer als ik geen reactie krijg”. “Klopt wel”, antwoordt Stefan.

Ben wil nu leren zich meer te auto-reguleren. Ik vraag:”Wat doe je als Stefan bij een ruzie niet de goeie respons op jouw gevoel geeft?”. Ben:“Oh dan voel ik me zo ellendig! Echt wanhopig!” Ik: “Dat begrijp ik, en wat doe je dan? Hoe kalmeer je jezelf?” Ben: “Dan ga ik vrienden bellen en vertellen hoe erg het met Stefan is”. Ik benoemde dat als een goede oplossing, omdat het past bij interregulatoren.

Toch wilde ik naar zijn autoregulerende vermogen toe: “En hoe kom je in jezelf tot rust?”. Ik ga op een kussen op bed liggen huilen. Ik verwens Ben drie keer en dan word ik rustig. Ik ga dan naar het plafond zitten kijken. Dat leidt me af. Ik ga zitten wiegen op bed. Dat deed ik als kind al. Soms ga ik de auto poetsen of ik ga plannen zitten maken om iets voor mezelf te kopen”. Mooi, zei ik, allemaal autoregulerende activiteiten!

“En welke lichamelijke ervaring geeft je dat?” , vroeg ik. Ik zocht naar een manier om die autoregulatieve gevoelens te verankeren bij hem. Ben:“Ik voel me ademen; en ik blijf mijn benen letterlijk voelen. Hij strijkt daarbij automatisch over zijn bovenbeen. Ik zei:” Ok, dat moet je dus vast houden als het oploopt tussen jullie. Let daar eens heel specifiek op en zoek de kalmering niet bij Stefan, als je onrust in je lijf voelt opkomen. Ga dan zelf over je bovenbenen strijken”. Deze simpele aanpak hielp enorm bij oplopende ruzies. Ben liet zich niet namelijk niet meer meeslepen door zijn eigen onrust. Hij ging minder vaak uit zijn dak.

Stefan daarentegen moet leren interreguleren. Stefan heeft de neiging het contact te negeren, als het teveel wordt voor hem. Hij heeft de neiging zich dan terug te trekken. Elke keer wanneer dat gebeurde in het contact met ons drieën, vroeg ik hem, wat hem deed weggaan met zijn aandacht. “Je ogen dwalen af. Merk je, dat je jouw aandacht verlegt?” Ja, zegt hij, ik moet nu even ‘denken’. Hij heeft geleerd dat aan Ben te gaan melden. Ook dat hielp.

Bovenal hielp het dat ze elkaar snapten. Ben raakt van binnen niet meer zo vaak in paniek, wanneer hij geen respons krijgt, omdat hij wist dat Stefan nog steeds van hem houdt. Ook al is hij niet ‘in contact’, Stefan snapt dat Ben ‘geen hysterisch wijf’ is, waar je jezelf maar beter van kan afkeren. 

Marcel Holtslag