Je slaat een arm om me heen en ik denk aan haar.

Samen met haar op de bank, haar lichaam heel dicht bij het mijne. Jij bent niet thuis. Ze kriebelt door mijn haar, net zoals jij dat nu doet terwijl je langzaam in slaap valt. Haar vingertoppen in mijn nek, het voelt weer zoals toen. In mijn gedachte gaan haar lippen op de mijne en verlang ik weer naar haar. Haar geur vermengt met de mijne, we worden langzaam één. Net als die keer bij haar thuis. Ik voel me vooral mezelf, zonder onderliggende relationele spanningen, zij en ik, zoals het zou moeten zijn.

Maar zij en ik zal nooit wij worden.

Gewoon omdat het niet kan. En toch denk ik regelmatig aan haar en ik mis haar. Haar geur, haar handen, over mijn lichaam. Ik mis het hoe ze mijn naam fluistert, hoe haar ademhaling anders wordt als ik haar streel. Maar ik mis ook de stiekeme smsjes, de stiekeme afspraakjes, alles wat stiekem was. Ik word moe van mijn gedachten en blij. De tegenstrijdigheid, ik wil haar, ik heb jou, ik wil jou en ik heb haar niet.  

Je trekt me dichter tegen je aan. Onze lichamen plakken van het warme weer. Ik luister naar je net iets te snelle hartslag en naar je ademhaling die mij zo’n rustig gevoel geeft. Ik denk graag aan haar, aan hoe zij en ik ooit een soort wij waren, maar ik zou er eigenlijk niet gewoon een punt achter moeten zetten? En haar voor altijd uit mijn gedachten verbannen?

Ik kus je op je voorhoofd en val langzaam in je armen in slaap, terwijl de gedachte aan haar nog niet weg is. Kan ik niet gewoon van twee vrouwen tegelijk houden?

Kim Raven