"Ik zag rare giechelende mannen op TV. En ook schreeuwerige mannen op een boot in het grote Amsterdam. Ik zag vooral het gezicht van mijn moeder: 'Vies!' Dat was de uitdrukking. Ik hoorde het afkeurend gemompel van mijn vader. Ik wist het zeker: ‘Ik ben gedoemd’."

"Ik verstopte de ‘vieze filmpjes’ op mijn computer. Toch kon ik ze soms niet weerstaan. Soms werd ik er even razend geil van maar daarna hoopte ik dat niemand me had gezien. Ik werd bang van seks. 'Nee, ik ben niet zo', dacht ik. Een psycholoog zei: “Als je op straat staat en er komen mensen op je aflopen. Waar trekt je blik onbewust naar toe?”. Tja, dat waren toch die kruizen in jeans. Tieten deden me niks."

"Tot overmaat van ramp keek ik bij het sporten vaak naar jongens in hun onderbroek. Bah, wat een stiekeme viezerd was ik toch. Iets waar ik me helemaal voor schaamde was mijn verliefdheid op Peter. Hij was de beste van onze klas en had zo’n mooie huid. Zo gaaf. En zijn haar. Prachtig! Wat voelde ik me een klein lelijk eendje."

"Ik heb geleerd mezelf te verstoppen. Ik dwong mezelf op heteroseks af te trekken. Toch keek ik meer naar die pik dan naar die kut. Eigenlijk iets vies. Eigenlijk waren heteromannen ook vies, dat ze een kut wilde likken. Gadver. Het idee alleen al."

"Oh jee, ik ben het echt. Ik heb laatst een jongen aangeraakt; ik voelde zijn nabijheid. Ik wilde dichter bij hem zijn. Dat heb ik niet met meisjes. Nu ik weet dat ik zo ben moet ik er ook maar ’s wat mee doen. Maar wat in godsnaam? Peter ziet me al komen. Oh nee, ik ben gedoemd tot iets heimelijks. Ik zet mijn computer op mijn eigen kamer."

"Waar ga ik heen? Ik las iets over '16-min'. Ik weet dat het COC bestaat en er is iets zoals jongensgroepen van de Kringen. Hebben ze ook een website? Ik vind iets over Expreszo. Oh jee, ik ga daar echt niet naartoe! En ‘het’ aan anderen vertellen? No way! Waarom zou ik het doen? Ik heb toch mijn computer."

"Ik ben geen ‘homofiel’. Alleens het woord al! Noem me homoseksueel. Nja, liever niet natuurlijk. Maar als het beestje een naam moet hebben; a la. Noem me nooit ‘Homo’ in gezelschap. Ik vermoord je’."

Sander heeft na 10 jaar nog dit gevoel. Hij voelt scheuten van paniek, wanneer hij echt een leuke man ziet. Peter heeft zijn liefde nooit beantwoord. Wat hij eraan over heeft gehouden is een gevoel van: ‘Als ik een man leuk vind, vindt hij me vast niet leuk’.

Hij valt op jongere mannen. Hij gedraagt zich graag een beetje stoer, een beetje mannelijk. Hij heeft een zwak voor afhankelijke jongens. Hij ziet hun schreeuw om aandacht en steun. Hij wordt graag één met ze.

In de therapie realiseert en voelt hij, dat hij zijn sociale angsten en minderwaardigheidsgevoelens kan loslaten. Hij realiseert zich dat een leuke jongen hem ook leuk mag vinden. Sterker nog, ook geïnteresseerd in hém mag zijn. Hij verandert zijn negatieve basisovertuiging naar een positieve: “Ik ben ook belangrijk. Ik wil dat voelen van die ander. Juist van hém. Make me more gay”.