Een voorbeeldje: Menno en Sander zijn 3 jaar bij elkaar en gaan een weekend citytrip doen. Ze gingen met de auto van Sander 500 km rijden naar Hamburg. Gezellig, vrijdagmiddag met z’n twee in de auto. Sander was nog wat gestrest van zijn werk. Op de weg in Duitsland trapte hij flink op het gaspedaal. ‘Even planken’, grijnsde hij tegen Menno. Deze begon zich boven de 150 km/u wat minder veilig te voelen. Dat zei hij niet, hij wil niet voor mietje uitgemaakt worden. Na 1 uur rijden kreeg Menno ook nog trek. Hij bitste tegen Sander, dat hij per se naar een wegrestaurant wilde. Sander noemde hem ‘Prinses’. Sander wilde eerst nog een uur doorrijden voordat er gestopt werd. Sander drukte zijn zin door. Menno voelde dat hij weinig inbreng had. Dat werd een pijnlijk felle ruzie. En zo gaat het vaker.

Het is het conflict van twee mannetjes die niet voor elkaar onder willen doen. Dat wordt steeds strijd. Door hun ervaringen van afwijzing en veroordeling, zien ze niet dat hun partner het niet zo kwaad bedoelt. Het is de aloude strijd om dominantie tussen mannen. Da’s misschien nog leuk in de seks, maar kan beter niet op alle terreinen plaatsvinden in een relatie. Ieder moet baas zijn op een bepaald terrein. Het is ook het negeren van wat de ander nodig heeft. Eigenlijk negeren ze een deel van zichzelf: hun vrouwelijke kanten, hun (passieve) behoeften. De behoefte aan veiligheid, aan een gezamenlijke sfeer, erbij te horen, aan lichamelijk herstel. Sommige mannen zien het als zwak om hieraan snel toe te geven. Je moet juist kunnen afzien. Flink zijn, niet huilen.

Nu wil Sander baas op eigen terrein zijn, zijn auto. Maar Menno wil eten en eigenlijk ook veilig rijden, maar dat zegt hij niet duidelijk. Hij mag niet bang zijn van zichzelf. Dat voelt Sander ergens wel, maar geeft er geen respons op. Sander voelt zich eerder aangetast in zijn mannelijke eer als hij maar 120 mag rijden waar je ook 180 kan. Hij wil zich in zijn energie niet laten remmen door zijn partner, want dat voelt minderwaardig. En dat gevoel is taboe geworden. Hij wijst naar Menno, die zegt zo vaak ‘Nee’ vindt hij.

Er is dus meer aan de hand. In therapie komt dit patroon steeds terug. Ze luisteren eigenlijk niet goed naar hun kwetsbaarheid. Daarin schuilen hun passieve, vrouwelijke behoeften(*1). Ze zitten beide gevangen in een overmatige bewondering voor mannelijkheid met de ‘fallus’ als ultiem symbool. Ze houden het overmatige manlijke gedrag bij elkaar in stand. Ze reageren eerder verwijtend, dan dat ze een ik-boodschap geven. Soms harnassen deze jongens zich later als man in een stoer sportlichaam. Ze hebben moeite om pijn en teleurstelling te laten zien in hun gedrag. Ze verkiezen een wat eenzaam wereldje, omdat het gevoel van isolement zo vertrouwd is. Omdat ze helaas niet anders kennen.

Wat je onderdrukt is een beetje afhankelijk van de basisbehoefte waar in je vroege jeugd niet zo goed aan tegemoet is gekomen. Als je bijvoorbeeld zoals Menno een gestreste moeder hebt gehad als baby, ben je extra gevoelig voor een veilige plek bij je partner.

Sander daarentegen is iemand, die support miste in zijn vroege jeugd. Hij was degene die zich schaamde tegenover zijn vader toen hij uit de kast kwam. Die zich zwakker voelde in zijn mannelijkheid toen hij zijn homoseksualiteit ontdekte. Hij is naar zijn vriend competitief geworden en kan slecht om aandacht en steun vragen. Dat ziet hij niet graag onder ogen. Hij is in zijn relatie graag ‘de baas’.

In de therapiegesprekken werd het steeds duidelijker. Ze begonnen om mijn voorstel elkaar te vertellen over hun ongemakkelijkheid met hun eigen homo-zijn. Over het aanleren van mannelijk gedrag voordat ze uit de kast kwamen. Over hun angsten om veroordeeld te worden, om teruggeworpen te worden in hun isolement. Over hun gevoelens, toen ze nog in de kast zaten. Over hun allereerste verlangens naar intieme vriendschap. Langzaam aan kwamen ze steeds dichter bij hun bron: hun werkelijke zelf, los van hun mannelijke imago. Dichterbij een gevoel van veilige verbondenheid met thuis vóór hun coming out, waar ze mochten zijn zoals ze waren.

Ze begonnen te leren hoe hun vriend zich thuis kon voelen in de relatie. Ze leerden elkaars grenzen te respecteren, ieder op zijn eigen terrein. Sander is heer en meester in zijn auto, maar nu ook een gastheer. Menno durft nu te zeggen dat hij bang wordt in de auto boven de 150 en Sander respecteert dit. Hij ziet dit niet meer als een aantasting van zijn mannelijkheid omdat hij weet dat dit niet Menno’s bedoeling is. Ze voelen meer intimiteit bij elkaar. Beiden roepen nu niet elke keer het haantjesgedrag in de ander op. De innerlijke vrouw in beide mannen heeft een stem gekregen.

Marcel Holtslag

* 1. In vaktermen heet dit vaak voorkomende patroon bij gay-stellen de ‘fallisch-narcistische collusie’.