Het is een gewone donderdagochtend, in een normale week. Ze trapt me onbewust in haar slaap, ik streel haar dijbeen. Half wakker spreidt ze haar tenen tegen me aan, zodat het net kietelt. Ik grijp haar voet en knijp er in. Even later liggen we opgekruld in elkaar, te soezen in het eerste daglicht.

Een minuut later rennen we samen de douche in.

We kussen elkaar vluchtig gedag boven de koffie, sprinten dan tegelijkertijd de deur uit. Voor de trap zijn we nog te moe, maar de lift doet er een eeuwigheid over om naar beneden te komen. Ik kijk naar de liftdeur alsof ik hem met mijn ogen kan openlaseren. Ze kijkt naar mij alsof ze me met haar ogen kan villen, in stukjes snijden en opeten. En dan op een liefdevolle manier. De lift maakt haar altijd weer geil.

De hele weg naar werk sms’t ze me.

Hoeveel ze me zal missen. Dat ze zin heeft in de McDonalds. Dat ze de makelaar weer moet bellen vandaag. Hoe het zou zijn om te zoenen met onze exchange studente. Of ik de nijntjes kan sparen bij de Primera. En wanneer we precies in ondertrouw gaan, onze trouwdatum komt al gevaarlijk dicht bij.

Kleuter, puber en twintiger tegelijk.

Om één uur belt ze me. ‘Hoi pop,’ zeg ik als ik de telefoon opneem. Het spreekt tegen ons dat die koosnaam mijn mede-kantoorleden niet eens meer verbaast. Maar als ik vervolgens mijn bureau van me afschuif en het kantoor uit ren, levert me dat vreemde blikken op. Ik negeer ze. Mijn vrouw huilt.

Haar collega is overleden. 

Gisteren werkten ze nog samen, nu is ze er niet meer. Niet verloren aan een auto of een hartaanval, maar aan een welbewuste sprong vanaf de hoogste verdieping. Het is een gewone donderdag in een normaal leven, en mijn kleuter/puber/twintiger verliest van zoiets groots en vreemds als de dood.

Ik schaam me.

Omdat ik aan mezelf denk. Ik denk aan dat stukje kleuter dat verhard, de puberhormonen die vervluchtigen, de twintigersgeest die zich verzet. Ik denk aan wat ik verlies. Ik schaam me omdat ik me daar druk om maak, terwijl mijn vrouw haar collega en vriendin verloren heeft. Terwijl mijn vrouw zich afvraagt of ze niet iets had kunnen doen. Terwijl een prachtige, perfecte en veel te jonge twintiger zich van een flat af heeft geworpen.

Het duurt een week voordat ze de slaap weer vat.

En het duurt veel langer totdat het weer een gewone donderdag kan zijn, in een normaal leven. Ik moet het doen zonder tenen in de ochtend, vrijen in de avond en haar hevige drang naar kindersurprises. Ik wil haar vasthouden en meezingen met Disneyliedjes, ik wil haar aankijken en zeggen hoeveel het me spijt. Maar ik schaam me, dat dit alles is wat ik kan geven, alles is wat ik kan voelen. En ik ben vreemd opgelucht, omdat ik nu nog meer van haar hou.

Dan komt die nuchtere dag voor mijn deadline.

Nog zelfzuchtiger dan anders val ik midden in de nacht bij haar binnen. Ze ligt in bed, ze kan weer slapen. Ik sluip dichterbij, aai zacht over haar hoofd. Ze opent haar ogen, maar ik zie dat ze zich nergens op focussen. ‘Lieverd, noem eens een mooi, diep, gevoelig onderwerp voor mijn volgende column,’ vraag ik haar zacht. Ik durf haar pijn niet in mijn verhaal te gebruiken, vooral omdat ik alleen mijn eigen machteloosheid kan beschrijven. Maar in haar slaap is ze het verdriet vergeten. Ze bromt onduidelijk ‘mooi, diep, gevoelig...’. ‘Kutjes,’ zegt ze dan.

Het kan nog wel even duren.

Maar toch huil ik zonder tranen, om een blijdschap die ik niet mag tonen. De kleuter verschuilt zich nog en de twintiger is in opstand. Maar toch lijkt haar plotselinge volwassenheid niet onomkeerbaar.

Mijn pubermeisje is weer bij me terug. 

Anne Koeleman