Sociale deadline

Ik heb nog twaalf dagen om te besluiten wat ik met oud & nieuw ga doen. Voor sommigen een betekenisloze gebeurtenis (ik benijd jullie) maar voor anderen een snel naderende sociale deadline. Ik val in de laatste categorie, want ik lijd aan het Episch-Feest-Syndroom.

Het is ontstaan door een overdosis aan trailers van films als New Year’s Eve,  de teksten van elk club-liedje en de aankondigingen van praktisch alle NYE-feesten (want elk schuurfeestje in Ermelo moet zich tegenwoordig profileren als “Partycentrum De Bierton’s Grand Silver Deluxe Glittering Neon New Year’s Eve Extravaganza” alsof ze een brede internationale jetset verwachten).

Ze schreeuwen allemaal in koor dat je leven faliekant mislukt is tenzij je in gezelschap van tienduizend van je beste vrienden los aan het gaan bent met een intensiteit alsof binnen enkele uren een meteoriet de aarde voorgoed zal vernietigen.

De druk dat oudjaarsavond niet tegen mag vallen zorgt dat ik nooit zomaar blind een optie kies maar in plaats daarvan wik en weeg tot alles uitverkocht is en ik steevast eindig op een feest met mensen die lijden aan hetzelfde syndroom en het liefst toch ergens anders zouden willen zijn. Ergens waar ze wel de hoofdrol kunnen spelen.

Hoofdrolhonger

Waar komt deze hoofdrolhonger vandaan? Ik was een jaar of zestien toen ik voor het eerst uitging in de stad waar ik later zou gaan wonen. Het was zenuwslopend eng. Ik had het gevoel dat de zaterdagnacht een film was waarin ik volkomen onwetend en onvoorbereid de set op was komen struikelen en waar ik nu tegen mijn zin in de hoofdrol in speelde. Alsof ik stond te klungelen met m’n biertje voor een zaal van oordelende blikken en prangende ogen die elk aspect van mijn aanwezigheid onder de loep namen: wat ik droeg; met wie ik praatte; hoe ik bewoog; hoe mijn haar zat; waar ik mijn handen hield; naar wie ik keek en naar wie ik niet keek. Mijn hart gierde en mijn hele bestaan probeerde zichzelf krampachtig een houding te geven.

Alcohol, rook, deinende muziek en een groep vrienden dienden als een buffer die de scherpte weghielden. Het werkte verslavend, dit nieuwe nachtelijke podium dat voor ons gebouwd was en als in een roes scheurden we ‘s nachts schreeuwend en onsterfelijk langs de grachten. 

Dat gevoel van onsterfelijkheid is aanstekelijk en heeft als bijwerking dat je een net wat betere versie van jezelf bent: we lachen net wat extra charmant; houden ons net iets mysterieuzer op; dansen net wat extatischer - we zijn de actuelere, scherpere versie van onszelf. Je kan doordeweeks de meest geestdodend saaie persoon zijn wiens levenswerk het is om de teksten onder kassabonnetjes goed gecentreerd te krijgen, in de nacht kan je levensmotto veranderen van “Een goede dag en graag tot ziens” Naar “And the party don’t start ‘till I walk in” .

Ja – nee - misschien

Maar er is een keerzijde: als we allemaal de hoofdrol spelen, wie speelt dan de bijrol? Deze paradox resulteert in avonden waar zelfbewustzijn als een kleffe handdoek over een zaal mensen hangt. Iedereen probeert het heel leuk te hebben maar is toch voornamelijk bezig met hoe leuk ze overkomen. Dit zijn tergende nachten waar je blij mag zijn als er eindelijk iemand hysterisch dronken wordt en wat leven in de tent brengt.

De leukste avonden ontstaan wanneer hoofdrollen en bijrollen, ego en korte WC-pauzes om je haar te checken achterwege blijven en lijken te ontstaan tegen alle verwachtingen in. Het zijn de avonden waarop Partycentrum De Bierton’s oudejaarsavond een verschrikkelijk slechte keuze lijkt te zijn. Maar als je op de eerste ochtend van het nieuwe jaar de foto’s op je telefoon terugkijkt, bedenk je je dat je nergens liever had willen zijn.

Waar ik op oudejaarsnacht eindig zal nog een onderwerp van veel gepieker worden, maar als ik twintig minuten voor tijd een SMSje krijg met “Hey ik heb niets te doen, ga je mee naar Ermelo?”, hap ik toe.

Tim Meijerink