We konden het haar vergeven.

Uiteindelijk hadden we het tijdens al die werklunches nooit gehad over het eigenlijke doel van het feestje. Het was ons ook niet echt duidelijk of er wel een doel was. Drinken met mede-homo’s leek op zich al belangrijk genoeg om je werkafspraken voor de middag af te zeggen. Maar was het ook belangrijk voor haar? Dit meisje bleek niet lesbisch te zijn. Niet eens een beetje bi. Ze verschoot van kleur toen ze hoorde waar het allemaal nou werkelijk om draaide.

Haar wangen kleurden een prachtig roze.

Het spreekt voor zich dat ze zich daarna nog steeds met het gebruikelijke enthousiasme op onze broodjes kaas wierp. En met de gebruikelijke desinteresse haar foldertjes uitdeelde. Maar toch leek er, zo vlak voor het echte drankfestijn, een schaduw geworpen te zijn over onze bezigheden. ‘Zouden we een doel moeten hebben?’ sliste de voorzitter tegen me. ‘Het lijkt me niet,’ fluisterde ik terug, ‘maar natuurlijk ben ik bereid om te drinken tegen borstkanker.’

Het was nooit in ons opgekomen dat ons doel niet zichtbaar was.

Of anders gezegd: het was nooit in ons opgekomen dat de ‘Roze Borrel’ van de ‘Pride commissie’ voor een ander geen betekenis zou kunnen hebben. Voor mij stond het in mijn achterhoofd voor trots, voor jezelf durven tonen en zelfs profileren. En ook stond het voor feest, gezelligheid, mensen leren kennen. Net als de regenboogvlag, die als decoratie diende op onze tafels. Het enige wat dit meisje kon sputteren was ‘staat dat dan niet voor Vrede?’

De voorzitster sliste toen weer, dit keer iets onhoorbaars.

Maar we verstonden haar allemaal. Borstkanker. Hoe kun je je bezig houden met het homoschap als je ook borstkanker kunt afslachten? En zoiets moois als vrede, daar kunnen broodjes osseworst toch nooit tegenop? ‘Mischien moeten we toch maar een doel adopteren,’ fluisterde ik. Maar omdat dat meer tijd zou kosten dan de geklokte 7 uur, en we nog maar 30 minuten hadden voor aanvangsttijd, gaven we die hoop op. Uiteindelijk lieten we het feest ons gangetje gaan.

Een gangetje met een behoorlijke snelheid, uiteraard.

Acht bier per uur, klokten we. Het was maar goed dat we allemaal een behoorlijk deel van de overvloedige lunches hadden genomen. Nog beter was dat voor onze nieuwe heteroseksuele vriendin. Ze besloot iedereen duidelijk te maken dat ze anders was, en week dus af van het bierschema. Na twee tequila stond ze op de bar. Na drie had ze de bischierige behaarde borstchirurg van haar leven gevonden. Na vier sliste ze net zo hard als onze voorzitster.

Ze had er vijf nodig om zich echt op haar gemak te voelen.

‘Wat een geweldige avond,’ rolde moeizaam van haar tong, tussen haar gesloten tanden door. Terwijl ze haar zesde tequila van de borstkast van haar chirurg lebberde, kafferde onze voorzitser een man uit die ‘iehl’ durfde te zeggen. Natuurlijk was het geen mooi gezicht, dat tequila opzuigen van de lange natte borstharen. Maar dat anderen iets vies vinden, maakt het nog niet onaanvaardbaar.

‘De avond van mijn leven!’ schreeuwde ze uiteindelijk uit.

We stonden buiten in de sneeuw en wisselden ongemakkelijke blikken. Want we streden niet tegen kanker of AIDS. We werkten de armoede of het voedseltekort niet tegen. We beslechtten geen oorlogen. In al die ellende hielden wij een ‘Roze Borrel’. ‘Moeten we geen beter doel hebben,’ sliste de voorzitster nog eens. Maar onze ladderzatte heteroseksueel leek zich er niet meer om te bekommeren. ‘We doen dit veel te weinig. Dit is pas feesten, genieten van wat je hebt en jezelf zijn.’

Dat is op zich doel genoeg.

Anne Koeleman