Afgelopen weekend zong ik ongegeneerd mee met liedjes waar het refrein van gecomponeerd leek te zijn door een groep acht met een fikse taalachterstand,  danste ik op een plakkerige ondergrond die zich het beste laat omschrijven als dansen in een glasbak en bekvechtte ik met de toiletjuffrouw omdat ik het ook niet kan helpen dat ik een blaas ter grote van een walnoot heb en ik geen vijftig centjes meer had.  Kortom, een heerlijk weekend en een weekend zoals zoveel anderen. Eentje die ook ongetwijfeld lijkt op een avond die je overal kan beleven, van Groningen tot Cothen – het verschil is dat ik er anderhalf uur voor in een rij heb gestaan, die me deed geloven dat ik naar het meest exclusieve feest van het jaar ging.  

Nu is ‘wachten in de rij’ een vaardigheid die ik door veelvuldig festivalbezoek gelukkig aardig heb kunnen ontwikkelen. De truc is om mee te deinen in de massa en bovenal je geest de vrije loop te laten; het is een perfect moment om je te storten op enkele essentiële levensvragen, zoals waar het woord “halvarine” nou precies op slaat of waarom er geen woord is dat rijmt op “twaalf”. 

De manier van een rij overleven hangt ook een beetje af van wat voor soort rij het is. Er zijn er verschillende te onderscheiden. Zo is er de festivalrij: een fysiek zware maar enthousiaste rij, waar de aanwas van knappe, schone gezichten verscholen achter mooie zonnebrillen in fel contrast staat met de brakke, stinkende mensenmassa die dagen later door dezelfde ingang naar buiten strompelt, modderige tassen achter zich meezeulend.

Dan is er de exclusieve rij, zo eentje voor de Berghain in Berlijn bijvoorbeeld. Deze is aanzienlijk meer ingetogen. Hier vind je geen hysterisch geschreeuw en gelal, iedereen probeert er namelijk zo inheems en au-naturel mogelijk uit te zien, aangezien het label van toerist je kansen op binnenkomen drastisch verlaagt. Dit alles kan daarom ook de indruk wekken dat je in een ontzettend hippe rij voor de pinautomaat staat.

En als laatste heb je dan nog de homo-rij.  De homo-rij lijkt qua uiterlijk een beetje op de bovenstaande rijen, maar geeft er een eigen twist aan.

Als je de moderne homo zou terugbrengen naar drie kernbegrippen, dan zijn het A) een vrij obsessieve verhouding met een smartphone; B) een voorliefde voor vrijgevochten vrouwelijke popsterren en C) het gevoel van belang te zijn op welke wijze dan ook. A & B definiëren meer de sfeer binnen bij het feest, maar C is de hele reden dat er überhaupt een rij bestaat.

Het motto van het homo-nachtleven lijkt te luiden dat iets pas leuk is als het exclusief is, en dat het pas exclusief is als niet zomaar iedereen naar binnen kan. Wat volgt is een splitsing in twee groepen:

Enerzijds de ‘zij-met-de-connecties’-groep, die triomfantelijk wuiven naar wie er bij de deur staat en voor wie de zee der stervelingen zich opensplijt om hen te laten passeren.

Anderzijds de mokkende meerderheid; klagende kleumende mensen die sporadisch roepen “Jezus, wat is dit nou – ze kiezen gewoon zomaar iemand uit om naar binnen te laten gaan!”. Er ontstaat een gespannen balans vol persoonlijke intriges. Sommigen wagen de sprong en zwaaien wanhopig naar een vage schoolgenoot van een aantal jaar terug in de hoop een paar meter naar voren te kunnen komen. Maar iets is immers niet meer exclusief als iedereen er bij kan zijn, dus sommige van deze pogingen ploffen met een harde sociaal-ongemakkelijke klap weer neer.

Je kunt je afvragen waar al die moeite nou goed voor is. Eenmaal binnen bevind je je namelijk niet opeens in het gezelschap van wereldsterren. Het decor is er ook niet eentje van een decadente nachtclub waar iedereen verdrinkt in het geld en bijzonder extravagant is het publiek ook niet.  Er is weinig dat je niet elders ook kunt vinden – dus waarom vormt zich dan toch keer op keer vol fanatisme weer die rij?

Ik zou het kunnen proberen te omschrijven, maar dan doe ik geen recht aan het gevoel dat je krijgt als je opeens uitgekozen wordt. Het moment dat jij plotsklaps als uitverkorene de roem en glorie krijgt waar je al die tijd voor hebt staan wachten, en je - in die allesbepalende anderhalve seconde dat het rode touw voor je opgelicht wordt  - even nonchalant lachend terug kan kijken naar de oceaan van jaloerse blikken en de wereld aan je voeten ligt. Op zo’n moment vraag je je af waarom er niet elke dag zo’n rij is. 

Tim Meijerink