Zodra kappers, waarvan je toch verwacht dat het experts zijn op het gebied van wat je met je haar moet doen, dat gaan zeggen, kan je concluderen dat zij de hoop allang hebben opgegeven en dat het beter is als je voor de komende zes weken een uitwisselingsproject gaat vinden in een land geplaagd door tropische regenstormen. 

Een gemiddeld kappersbezoek is een onwennige en ongemakkelijke situatie omdat het één van de vele lichamelijkheden betreft waar ik zelf geen enkel verstand van heb.

Normaliter worden dat soort situaties altijd zorgvuldig geanalyseerd en opgelost door een deskundige. Ik ben nog nooit naar een tandarts geweest die vroeg “Hoeveel tandsteen wilt u er af? En zal ik ze wat witter maken of houdt u het liever geel?”, maar bij de kapper moet je dat soort dingen allemaal zelf aangeven. En dat terwijl je eigen haar iets is waar je amper mee geconfronteerd wordt, tenzij juist op uiterst gevoelige momenten: energieke zaterdagavonden beginnen in een badkamer waarin je grijnzend je spiegelbeeld verleidt met je meedogenloze blik, je rechterhand stoer door je haar strelend alsof je net eigenhandig een Harley Davidson hebt gerepareerd, en zondagochtenden worden nog troostelozer als de realisatie komt dat die stinkende warboel op je hoofd geen pas overleden koala is maar je eens zo glorieuze kapsel.

Het is moeilijk om het objectief te bekijken en dat is nog moeilijker als je eenmaal met een Zorro-cape om je schouders zit te kijken naar haar wat totaal niet in model zit.

Elke kapper begint met de vraag “Zo, en hoe wil je het hebben?”. Het enige goede antwoord op zo’n vraag is eigenlijk “Op zo’n manier dat gedurende de eerste twee weken mensen op straat in katzwijm vallen elke keer als ik langsloop, en daarna dat het zo flexibel en gehoorzaam is dat ik maar met mijn hoofd hoef te schudden om het in model te krijgen” maar de angst dat als je zo’n antwoord geeft de kapster in kwestie je haar zo gruwelijk gaat mishandelen dat mensen denken dat je net bent aangevallen door een groep wilde grasmaaiers is vaak zo prominent dat je dat nooit zegt. Dus toen het aan mij gevraagd werd antwoordde ik met “Nou, ik wil het wel vlot, en zomers”.

Mijn hoop is namelijk dat als ik maar genoeg nietszeggende bijvoeglijke naamwoorden naar hun hoofd smijt, ze vanzelf wel weten dat ik een hopeloos geval ben die het ook voor zoete koek neemt als ze een Bonsaiboom in mijn haar zouden planten en erbij zouden vermelden dat “ecologisch verantwoord helemaal hip is deze zomer”.

Overigens pikken de meeste kappers mijn wanhoopskreet wel op en gaan ze vrolijk aan de slag, mij onderwijl bestokend met vragen wat voor studie ik doe, of ik nog op vakantie ga, of – als ik er bijzonder fris en fruitig uit zie – of ik vandaag soms vrij had van school. Maar jammer genoeg niet in dit geval. Toen ik mijn kappersvocabulaire verspild had keek ze me nog steeds vragend aan en vroeg ze of ik het dan van boven wat uitgedund wou hebben, of dat ze misschien de bakkebaarden asymmetrisch moest opscheren, of dat de laagjes dan tot mijn ogen moesten komen. Ik keek haar waarschijnlijk aan alsof ze me net had gesommeerd om een lijst te maken van dierbaren op alfabetische volgorde die ze vervolgens zou gaan executeren, want voordat ik antwoord kon geven kwam ze met een vlekkerige map aan getiteld “Modellen (MAN)”. 

 

Uit deze map kon ik dan aanwijzen wat ik graag zou willen hebben. Het is een beetje de speelgoedgids die je als kind van de Bart Smit en de Intertoys kreeg, inclusief de wetenschap dat je best wel het LEGO-piratenschip van twaalfduizend euro kon aanstrepen maar dat je uiteindelijk maar genoegen diende te nemen met de sloep van een tientje. De gids stond bomvol mannen in perfect zittende pakken die, zittend op het terras aan de Rivièra, in gesprek waren met vrouwen die het evenbeeld van Carla Bruni waren, of op een ander moment bezig waren met het aanleggen van hun jacht terwijl hun perfect zongebruinde kinderen in witte polo’s en bootschoenen aan het springen waren op de pier.

In ieder geval waren de foto’s zo doordrenkt van details dat ik me afvroeg of ik een kapsel moest kiezen of een foto wiens levensstijl mij het meeste aantrok. Uiteindelijk koos ik een mix voor de Porsche-eigenaar van pagina 58 en het catwalkmodel met de helblauwe ogen en messcherpe kaaklijn van pagina 149. 



Die informatie was eindelijk afdoende en na de nodige apparatuur en nietszeggende gespreksonderwerpen kwam de vraag of ik tevreden was over de lengte. Aangezien gillend graaien over de grond terwijl ik met secondelijm wanhopig probeer om mijn eens zo mooie bruine lokken weer terug te plaatsen niet heel beleefd zou zijn, probeerde ik maar berusting te vinden in het feit dat het vast wel weer terug gaat groeien. 


Ik nam een snoepje bij de kassa als troost en verliet de kapper heel hard hopend dat hoedjes weer helemaal terug zouden komen deze zomer.

Tim Meijerink