Karl Heinrich UlrichsUlrichs was een pionier in de ware zin van het woord. In weerwil van de tijdsgeest in een samenleving doordrenkt met conservatisme en christelijke dogma’s en met alleen zijn eigen gevoelens als beginpunt, wist Ulrichs in een tijdspanne van twintig jaar niet alleen alle rechten te benoemen waar LGBT-organisaties wereldwijd tot op heden voor strijden, maar ook theorieën over seksualiteit en genderidentiteit te ontwikkelen die pas in de twintigste eeuw hun weerklank onder wetenschappers zouden vinden.

Coming Out
Ulrichs werd geboren op 28 augustus 1825 te Hannover in een gegoede familie waar religie een belangrijke rol speelde. Gedurende zijn jeugd merkte Ulrichs al snel dat hij zich aangetrokken voelde tot het mannelijke lichaam, wat zich op negenjarige leeftijd uitte in een jeugdverliefdheid op een elfjarige vriendje en, later, in een bovengemiddelde interesse in boeken met afbeeldingen van Griekse standbeelden en in de jonge patrouillerende soldaten in zijn woonplaats. Zijn eerste seksuele ervaring deed hij op als veertienjarige in wat een kortstondige affaire zou worden met zijn rij-instructeur.  

Na achtereenvolgens een studie Rechtsgeleerdheid en Theologie aan de Universiteit van Göttingen en een promotie in de Geschiedenis in Berlijn met succes te hebben beëindigd, ging Ulrichs in 1849 aan de slag als klerk bij het Hof van Hindesheim in het toenmalige Koninkrijk van Hannover. Acht jaar later zou er aan zijn carriere bij het Gerechtshof abrupt een einde komen, nadat zijn geaardheid onder zijn collega’s bekend was geworden.

In 1862 maakte Ulrichs een radicale ommekeer in zijn leven. Hij wisselde de advocatuur in voor de journalistiek, wat hem meer vrijheid en tijd zou geven om zijn geaardheid te bestuderen. Daarnaast nam hij een sprong in het diepe, en informeerde hij zijn diep religieuze familie- en vriendenkring over zijn voorliefde voor hetzelfde geslacht. Ondanks hun door religie gesterkte conservatieve wereldbeeld bleef Ulrichs welkom en werd hij door geen enkele van deze ingewijden verstoten.

´Urnings´
Geleidelijk aan raakte Ulrichs ervan overtuigd dat homoseksualiteit een aangeboren aspect was, en dat het niet paste om handelingen voortvloeiend uit deze natuurlijke geaardheid tussen twee volwassenen bij wet te straffen.  

Na verschillende malen bot te hebben gevangen bij de ene na de andere uitgeverij, bracht Ulrichs in 1863 in eigen beheer zijn op schrift gestelde ideeën uit in twee boekjes. Uiteindelijk zou Ulrichs over een periode van tien jaar niet minder dan twaalf boekjes publiceren in een reeks die bekend werd onder de titel “Forschungen über das Rathsel der mannmännlichen Liebe” (Onderzoeken naar het Raadsel van de Liefde tussen Mannen).

In deze reeks lichtte hij zijn theorie van ‘de derde sekse’ toe. Wat Ulrichs betrof, kwamen homoseksuelen, welke hij aanduidde met de uit het Grieks afkomstige term ‘Urnings’, voort uit de geboorte van een vrouwelijk bewustzijn in een mannelijk lichaam. Vanuit zijn beperkte contacten met andere ‘Urnings’ dacht Ulrichs aanvankelijk dat deze alle vrouwelijk qua gedrag waren en zich per definitie aangetrokken voelden tot heteroseksuele mannen. Het was pas veel later in zijn leven dat Ulrichs begreep dat ‘Urnings’ ook mannelijk qua gedrag konden zijn en van elkaar konden houden.

Ondanks het feit dat Ulrichs ideeën op weinig sympathie konden rekenen in het Duitsland van toen, zijn drukpers in een raid door de politie in beslag werd genomen en hijzelf herhaaldelijk werd gearresteerd, zette deze pionier standvastig zijn missie voort. Hij stuurde kopieën van zijn geschriften naar politici, dokters en rechters, en schreef een resolutie waarin hij pleitte voor een herziening van de artikels in de Strafwet die seksuele handelingen tussen volwassenen van hetzelfde geslacht strafbaar stelden, welke hij vervolgens onverstoorbaar te midden van een verontwaardigd publiek op een symposium van de Duitse Advocatenorde presenteerde.   

Kaiser Wilhelm I
Er kwam echter een abrupt einde aan het pionierswerk van Ulrichs, toen de Duitse onafhankelijke staten zich onder dreiging van de nakende Franco-Pruisische oorlog verenigden onder Kaiser Wilhelm I, die het Pruisische wetsartikel 175 voor gans het Verenigde Duitsland wettelijk van kracht liet worden. Het was dit wetsartikel waarop later de Nazi’s zich beriepen in hun ongeziene vervolging van homoseksuelen.  

Ulrichs publiceerde daarop in 1879 zijn laatste boekje, trok als een gebroken man de Alpen over en vestigde zich als balling in het Italiaanse Aquila, waar hij twaalf jaar later zou sterven. Voor zijn dood schreef Ulrichs nog:

‘Tot mijn sterfdag zal ik met trots vervuld terugkijken op het feit dat ik de moed vond om op te staan en de strijd aan te gaan met het schrikbeeld dat sinds oudsher mij en mannen van mijn geaardheid verziekte met gif. Velen zijn gedreven tot zelfdoding, omdat al het geluk in hun leven een smet had. Ja, ik ben trots dat ik de moed heb gevonden om de eerste slag toe te brengen aan het serpent dat publieke verachting heet.’

Erkenning
Het is pas recentelijk dat Karl Heinrich Ulrichs en zijn prominente rol in het ontstaan van de notie van homorechten en de daaruit voortvloeiende bewegingen is (her)ontdekt en op waarde is geschat. Inmiddels tekent zich een ware inhaalslag in deze erkenning af, met de restauratie van Ulrichs’ graf in Aquila en de organisatie van een jaarlijkse pelgrimstocht daarheen, de heruitgave van zijn geschriften, het toenemend aantal straten en pleinen in Duitsland die zijn naam dragen, en de instelling van de jaarlijkse Karl Heinrich Ulrichs-prijs in zijn nagedachtenis door de International Lesbian and Gay Law Association.

Berlijn eert Ulrichs met eigen straat (2011)  

JD / Bron: GSN