MongoliëDe asielzoeker uit Mongolië heeft verklaard op grond van zijn homoseksuele geaardheid en zijn vriendschap met een transseksuele man dermate te zijn mishandeld dat hij in een ziekenhuis in zijn thuisland behandeld diende te worden. Daarop heeft hij aangifte bij de politie gedaan, en zijn de daders veroordeeld. Nadat hij uit het ziekenhuis werd ontslagen is hij naar eigen zeggen wederom omwille van zijn geaardheid fysiek aangevallen en is hij daarop bij een familielid ondergedoken.

In haar motivering tot afwijzing van het asielverzoek van betrokkene heeft de IND zich beroept op het thematische ambtsbericht over Mongolië dat in januari 2010 door het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken is opgesteld. Uit dit ambtsbericht komt naar voren dat de situatie van homoseksuelen in het Centraal-Aziatische land veel te wensen over laat en dat er een reëel risico aanwezig is dat homoseksuelen het slachtoffer worden van discriminatie en fysiek geweld. Volgens BuZa is er echter geen sprake van systematische vervolging van homoseksuelen als groep. Dat betekent dat homoseksuele asielzoekers uit Mongolië aannemelijk moeten maken dat zij op individuele grond vervolgd worden, willen zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning.

Vonnis
Op 31 juli 2012 oordeelde de Rechtbank Den Bosch in deze zaak dat de homoseksuele asielzoeker bescherming bij de autoriteiten van het Centraal-Aziatische land had kunnen zoeken en zodoende geen recht heeft op asiel in Nederland. Daarmee volgde de Rechtbank in haar vonnis het betoog van de Immigratie- & Naturalisatiedienst (IND). In zijn verdediging beriep de Mongolische asielzoeker zich op het gegeven dat de Raad van State eerder dit jaar zogenaamde prejudiciële vragen bij het Europese Hof van Justitie heeft neergelegd, om meer duidelijkheid te verkrijgen over wat Nederland en de andere EU-lidstaten als minimale norm voor de bescherming van homoseksuelen dienen te beschouwen.
In haar overweging oordeelde de Rechtbank echter dat homoseksualiteit in Mongolië niet bij wet strafbaar is en dat op grond daarvan de zaak van betrokkene wezenlijk verschilt van de zaken van de drie homoseksuele asielzoekers uit respectievelijk Senegal, Sierra Leone en Oeganda die voor de Raad van State eerder dit jaar aanleiding vormden om bij het Europese Hof aan te kloppen voor nadere uitleg.

Na het indienen van een hoger beroep bij de Raad van State kreeg de Mongolische asielzoeker bericht dat het hoogste Nederlandse rechtsorgaan besloten heeft zijn zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden van het Europese Hof van Justitie. Indirect is daarmee het eerdere negatieve oordeel van de Rechtbank terzijde geschoven en blijkt de Raad van State van mening te zijn dat de prejudiciële vragen wel degelijk relevant kunnen zijn voor deze zaak, ook als homoseksualiteit niet bij wet strafbaar is in het herkomstland.

'Logische stap'
Volgens Vluchtelingenwerk Nederland is de handelswijze van de Raad van State in deze ‘niet meer dan logisch’ omdat slechts één van de drie prejudiciële vragen betrekking heeft op de strafbaarstelling van homoseksualiteit en de overige twee zich meer richten op andere aspecten van homoseksualiteit (bv. Of van asielzoekers bij terugkeer verwacht mag worden dat zij opnieuw tot een leven in de kast worden veroordeeld).

Naar verwachting zal het Europese Hof van Justitie te Luxemburg eind 2013 dan wel begin 2014 de door de Raad van State ingebrachte prejudiciële vragen over de invulling van de minimumnormen voor de bescherming van homoseksuele asielzoekers beantwoorden. Pas daarna zal het hoogste rechtsorgaan in Nederland de genoemde aangehouden zaken verder behandelen en van een vonnis voorzien. 

JD / Bron: Update 2012, nr. 36, 12 september 2012