Vorige week was er eentje, toen midden in een telefoongesprek met mijn moeder over inktcardridges en de verkiezingsuitslag, ze mededeelde dat ik nu net zo oud was als zij toen ze mij kreeg – “Grappig, hè?”. 

Een leuk stukje trivia maar met een hoog “Oh-god-wat-doe-ik-eigenlijk-met-mijn-leven” gehalte, zeker als je haar situatie toentertijd vergelijkt met mijn huidige. Als getrouwde, huisbezittende, parttimewerkende moeder lijkt haar leven van toen radicaal veel serieuzer dan mijn bestaan als single pas-afgestudeerde freelancer schommelend van baan naar baan. 

In het oog van zo’n existentialistische storm was de conclusie snel getrokken dat ik binnen nu en twee maanden een huis, baan, man en kind moest zien te krijgen want anders zou ik geheid eindigen als ongemakkelijk alleenstaande oom op verjaardagsfeestjes van de hordes kinderen die mijn vrienden ongetwijfeld nu aan het verwekken zijn. 

Maar een iets realistischere kijk in mijn directe omgeving geeft toch een ander beeld. Het enige wat constant aanwezig lijkt te blijven zijn de zaterdagnachten uitgaan, de rest is een vrij continue wisseling van studies, kamers, banen en relaties. We hebben dezelfde tijdsspan doorlopen, mijn moeder en ik – maar hoe anders komen we er uit.

Keerpunt

Deels ligt het buiten ons bereik. Als je het huisje-boompje-beestje-ideaal voor het gemak even zou beschouwen als volwassen worden, dan is het een ideaal wat praktisch gezien nu veel moeilijker te behalen is. Mijn ouders kochten een riante eengezinswoning toen ze een jaar jonger waren dan ik dat nu ben – als ik een hypotheek zou aanvragen zou ik vierkant uitgelachen worden. Het vinden van een goede startersbaan is net zo’n strijd, met vierhonderd beter gekwalificeerde sollicitanten op elke functie. Maar de vraag is eigenlijk wat wij zouden willen als volwassenen? 

Mijn ouders hadden op mijn leeftijd De Grote Vijf van volwassenheid al afgestreept: een afgeronde opleiding, een eigen huis, financieel zelfstandig, getrouwd en een kind. Hun huisje-boompje-beestje ideaal gehaald, maar dat ideaal is een kwart eeuw later al lang niet meer zo actueel. Veel groter is namelijk de culturele verschuiving van volwassen worden.  

Waar hun sociale leven anno 20 jarig geleden strandde bij de buren in de straat en de ruim te van te voren geplande zomervakantie naar Spanje, zou een blik in mijn gemiddelde Facebook-feed doen geloven dat ik onderdeel uitmaak van een bont internationaal gezelschap dat leeft voor feestjes, weekendjes London, treinreizen naar Berlijn en instagramfoto’s van koffie en taart. Er ligt een nadruk op meemaken en jezelf ontwikkelen en grote levenskeuzes lijken zoveel mogelijk te worden uitgesteld tot in ieder geval je dertigste. Niet bij iedereen, natuurlijk: er zijn 25-jarigen die wel een huis, kinderen en baan hebben, maar ook anderen die noodgedwongen in een studentenkamer blijven en elkaar beconcurreren voor prestigieuze, onbetaalde stages.  

16-26

Bij mijn coming-out had ik het allemaal heel duidelijk op een rijtje: Ja, ik was homo, maar ik wil hetzelfde als iedereen – studeren, iemand ontmoeten, samen een huis kopen, werken en samen de rest van ons leven in burgerlijk geluk uitzingen. Ik wilde nog steeds hetzelfde als de omgeving waar ik in opgroeide. Tien jaar later is daar weinig van terechtgekomen – is dat ideaal juist zo goed als weg -  maar toch is er geen sprake van ongeluk of wanhoop. Vanwaar dan toch zo’n schrikmoment of het allemaal wel de juiste kant op gaat?

Het zit ‘m denk ik in de ontnuchterende gedachte dat er wellicht nooit een moment komt dat ik denk “Ja, dit is het - voor de rest van mijn leven”, of het nou om een baan, woonplaats of een relatie gaat. Dat is een realisatie die haaks staat op de dromen van mijn 15-jarige zelf en zijn dit-is-het-leven-en-zo-moet-het-zijn denkwijze, maar die nu juist voelt als vrijheid. Niet alles vindt slechts een keer plaats. 

Het lijkt er op dat mijn generatie een nieuwe definitie aan het geven is van hoe je volwassen wordt, blijkt uit documentaires als Alles Wat We Wilden en talloze essays en publicaties. De vrijheid om meer keuzes te maken, misschien wel boven alles, is iets wat we willen koesteren.

De Britse schrijver Mark Haddon omschrijft het leven van een mid-twintiger als dat van een octopus die gefrustreerd is dat ‘ie maar acht armen heeft. Peuterspeelzalen zijn weliswaar vervangen door koffieafspraken, koopwoningen en kinderfietsen door wereldreizen en iPhones, all-inclusive vakanties naar een Turkse badplaats door een jaar vol korte stedentrips en een uitgestippeld bestaan door eentje bomvol met keuzes, maar dit alles heeft meer iets weg van een luxeprobleem. Het leven als een gefrustreerde octopus is zo slecht nog niet. 

Tim Meijerink