Ironie is langzamerhand het toverwoord aan het worden van onze cultuur. Je ziet het overal: in media, op straat, online en offline. Miljoenen mensen volgen datende boeren vanwege de sociaal-ongemakkelijke situaties waar ze zichzelf inbrengen,  in statusupdates wordt druk ge-YOLO’d als knipoog naar alledaagse kleine handelingen, zelfs ‘s werelds meest bekeken video is één groot ironisch statement

Ik ben zelf een groot liefhebber van de kitsch die deze ironie met zich meebrengt, van dat wat flirt met wat eigenlijk lelijk is, ongemakkelijk, grappig, gevuld met nonsens of met nep-sentiment. Ironie werkt om het leven niet zo serieus te nemen; om te zeggen dat je er bovenal om moet lachen. Het is een luxeproduct, dat laat zien dat de algehele dagelijkse ellende dusdanig meevalt dat we het massaal kunnen hebben over Maya-kalenders en aangestrande potvissen. De geschiedenispagina over onze generatie kalken we zo speels vol met kattenplaatjes.

“Dat dit kan in Nederland!”

Maar een overkill aan deze ironie leidt tot scheefgegroeide reacties als er iets gebeurt dat we wél erg vinden.  Op het moment dat er iets gebeurt wat ons oprecht aan het hart gaat, zoals zinloos geweld of een tragische zelfmoord, is onze eerste reactie een explosie van ongeloof. Een ferme quote retweeten over wat er moet gebeuren; een Facebook-pagina liken; op hoge poten mails sturen naar jan en alleman, het lijkt er voornamelijk op dat het aansporen van anderen om iets te doen belangrijker is dan daadwerkelijk zelf iets doen 

Het is een ongetwijfeld goed bedoelde, maar uiteraard ijdele hoop om te denken dat als we met z’n allen maar iets een warm hart toedragen, het vanzelf beter wordt. Dat weten we ergens ook wel, maar wat we willen zeggen is: we nemen bijna niets meer serieus, maar dit wel. Precies op zo’n moment is ironie een taboe en leidt het tot nog fellere reacties.                       

Activisme 2.0

Er is een scheve weegschaal met aan een kant nogal veel verontwaardiging en aan de andere kant nogal weinig daadkracht. Bij tragische maatschappelijke gebeurtenissen schiet er collectief een hand voor de mond en hoeft er niet veel te gebeuren voordat de media kan opmerken “dat er massaal met ongeloof gereageerd is”. Ongetwijfeld is de schok en het ongeloof oprecht, maar alleen laten merken dat je iets erg vind betekent nog niet dat er iets gebeurt. 

Als je iets wilt gaan veranderen, moet je zelf iets gaan doen.

Stel je voor dat je het erg vindt dat er kinderen gepest worden om wie ze zijn of om waar ze op vallen, dan maak je een krant over seksuele diversiteit en deel je die uit op middelbare scholen, of je maakt een website met tips en verhalen of je gaat een theatervoorstelling maken en spelen op basisscholen.  Het lijkt een simpele gedachte, maar het uitvoeren betekent dat je je met hart en ziel gaat storten in iets waar je oprecht in gelooft.   Dat vereist een kwetsbaarheid die haaks staat op de alledaagse ironie en een daadkracht die verder gaat dan online ongeloof. 

Bovenstaande projecten zijn niet geïnitieerd door grote bedrijven met een schuldcomplex of een overheid met een vijfjarenplan. Het zijn initiatieven van mensen uit deze generatie: begin-twintigers die zich inzetten om dingen beter te maken omdat ze vinden dat het beter moet. 

Het zijn kleine inktvlekken die her en der aan het verschijnen zijn. Hopelijk verschijnen er volgend jaar nog dusdanig meer inktvlekken tot er genoeg is om, tussen alle YOLO’s, Tumblrs, retweets, failbooks en YouTube-hypes, wat nuttige regels bij te schrijven aan de geschiedenispagina van deze generatie. 

Tim Meijerink