En vooral, waarom wil ik dat zo graag?

Ik nader inmiddels de dertig en met mijn werk, huis en huwelijk zit het wel goed. Met mijn studentenleven zit het niet goed, maar ik heb geen kinderen dus waarom niet gewoon leven zoals het is bedoeld? Het is nu te vroeg voor een midlifecrisis en te laat voor een one-night-stand. Toch ben ik gebonden. Niet aan regels die de gemeenschap of mijn relatie me oplegt, maar aan een strenge stem in mijn hoofd die me altijd vertelt dat ik niet mag willen wat ik nu zo graag wil.

Ik wil de kleren van je lichaam scheuren.

Ik ken je niet en ik weet niet in hoeverre ik je wil kennen. Je levensbesteding interesseert me matig en ik vind het lief dat je wilt weten hoe mijn dag was, maar ik zie het punt niet helemaal. Want elke minuut die ik spendeer aan het vertellen over mijn werk brengt me een minuut verder van het moment dat ik je tegen de muur kan drukken, mijn tong in je kan forceren en mijn handen om je dijen kan sluiten.

Zonder maar iets van je te weten.

Ik zou je eerst moeten waarderen om wie je bent. Ik zou moeten weten wat je vindt van het leven, hoe je staat tegenover de politiek, welk huisdier je het liefst zou willen hebben en wat voor eten ik je moet voorschotelen op een eerste date. Dat zegt de stem in mijn hoofd. Maar in plaats van de gewoonlijke schreeuw is het nu slechts een fluistering. Een ander hersengedeelte spreekt veel harder. Het vertelt me hoe het voelt als ik je eenmaal tegen die muur heb. Erger nog, het vertelt me hoe het voelt als ik mijn vingers in je laat glijden.

Gelukkig spreekt mijn vrouw ook.

‘Ik heb het wel gezien, lief,’ zegt ze, als ze zich tussen de kronkelende stelletjes uitwurmt. Ze kijkt me aan. Dan ziet ze jou, en haar ogen beginnen te glinsteren. ‘Zullen we maar naar huis gaan?’ vraagt ze. Ik zeg je zo snel mogelijk gedag en sprint naar buiten, richting de bus. Maar ik vermoed dat ik er niet zo makkelijk vanaf kom. Al voor ik jullie naar buiten zie komen, weet ik dat ze je niet heeft gevraagd naar je favoriete huisdier. Of de politiek. Ze vroeg hooguit hoe je dag was.

Of ze sloot haar handen om je dijen.

Jullie komen hand in hand op me af en mijn hoofd staat buitenspel. Ik zal je later moeten leren kennen. Of niet. Maar ik laat me niet tegenhouden door mijn aangeleerde geweten. Ik zal je tegen alle muren van mijn huis aanduwen, al mijn vingers in je laten glijden, en je likken tot je niet meer op je benen kan staan. De stem in mijn hoofd kan schreeuwen tot hij er dood bij neer valt. Dit keer heb ik het laatste woord.