Abd, 21 jaar, student

‘Mijn ouders spreek ik niet meer. En dat doet pijn. Hoe goed ik mijn leven nu ook aan het invullen ben, het gemis van mijn familie kan ik bijna niet verdragen. Al geruime tijd loop ik bij een psycholoog om te praten over mijn gevoelens en frustraties. Het lijkt echter niet te helpen. Mijn familie heb ik niet teruggekregen. Voor hen ben ik een slechte jongen, ik ben namelijk homoseksueel.

Al op vrij jonge leeftijd wist ik dat ik gevoelens voor mannen had. Ik vertelde het toen ik dertien was aan mijn mentor van de havo 2-klas waarin ik zat. Die moedigde me aan om het te vertellen aan mijn ouders. Ik durfde dat echter niet en deed ook niets met mijn gevoelens. Ergens, diep van binnen, hoopte ik dat het gevoel zou verdwijnen. Daarom stortte ik me op mijn studie. Haalde de ene negen na de ander. Mijn ouders waren trots op me. Ik was de enige Marokkaanse jongen uit de buurt die de havo deed en nog goede cijfers haalde ook. Na de havo ging ik een heao-opleiding volgen. Mijn ouders waren beretrots. Ik zou veel geld gaan verdienen en er lag een gouden toekomst voor me. De druk die ik voelde van mijn familie om te presteren, was enorm.

Mijn ouders hebben mij en mijn broer altijd gestimuleerd om te studeren. Mijn oudste broer studeerde al medicijnen toen ik naar de hogeschool ging. Het leek traditie te worden in ons gezin om te gaan studeren. Mijn vader, oorspronkelijk een boer uit het Rifgebergte, had zelf ook altijd willen studeren. Maar al te vaak kregen we toen we kind waren te horen dat hij op de lagere school de beste leerling van de klas was. De middelbare school heeft hij niet af mogen maken van zijn vader. Hij moest werken vanwege de armoede. Dit heeft hij zijn eigen vader nooit vergeven. Ik wilde mijn ouders, en vooral mijn vader, trots op me doen zijn. Mijn broer ook, dus we deden ons best. Studie was prioriteit nummer één en we studeerden keihard. Ik aan de Haagse Hogeschool, mijn broer aan de universiteit van Leiden. Vader was trots op zijn studerende zonen. Op vrijdag gingen we met hem mee naar de moskee, hoewel dat langzaam maar zeker steeds minder werd. Zowel mijn broer als ik had het vrijdag vaak te druk met onze studie. 

Met mijn broer had ik geen goede band. Hij sprak nauwelijks tegen me als we thuis waren en hij negeerde mijn pogingen om contact met hem te krijgen. Hij is ook een ander type dan ik. Ik ben bescheiden en zeer introvert, hij is een macho en duidelijk aanwezig tijdens familiebijeenkomsten of zelfs op straat. Hij gebruikte zijn goede opleiding om indruk te maken op de Marokkaanse meisjes uit de buurt. En die meisjes? Die wilden natuurlijk niets liever dan aanpappen met een toekomstig arts. Hij had dus vrij regelmatig vriendinnetjes. Ik heb nooit een vriendin gehad. 

Op een dag had ik ruzie met mijn broer over iets heel onbenulligs. Volgens mij was hij boos omdat ik aan de cd-speler had gezeten of zo. Hij kon vrij kinderachtig doen over dit soort zaken. Mijn moeder kwam tussenbeide en mijn tweelingzusjes van tien keken angstig toe. Mijn broer viel namelijk nogal tegen me uit. Dat ik met mijn fikken van zijn spullen af moest blijven en dat hij niet kon begrijpen waarom ik altijd zo lomp was. Feit is namelijk dat ik geen spijker in de muur kan slaan. Hij was bang dat ik met mijn lompheid ook zijn cd-speler zou stukmaken. Ik schold terug dat ik hem maar een kinderachtige sukkel vond. Hij werd woedend en zei: “Man, je bent net een wijf. Je kunt niets. Vuile flikker!” Ik voelde me toen hij dat zei zó kwaad worden dat ik hem aanvloog en we raakten in een gevecht verwikkeld. Mijn arme moeder sprong tussen ons in, waardoor ze zelf een klap opving. Geschrokken hielden we op met vechten. Maar ik vergat de opmerking van mijn broer niet. Ik lag er zelfs die nacht wakker van. Zou hij weten dat ik homogevoelens had?

In het tweede jaar van mijn studie ontmoette ik op de faculteit een hele aardige jongen. Zijn naam was Jan Kees en hij kwam uit Wassenaar. Ik was verbluft dat iemand uit zo’n rijk nest vriendschap met me wilde sluiten. Jan Kees leek oprecht geïnteresseerd in mijn wezen. Hij vroeg veel over mijn cultuur en ook over andere zaken, zoals studie en toekomstdromen. We raakten aardig goed bevriend. Op een dag na de colleges vroeg hij of ik zin had om met hem naar het strand te gaan. Het was een warme lentedag in mei. Ik stemde in. Jan Kees was die dag met zijn gloednieuwe auto gekomen: een zwart sportmodel bmw. We reden richting strand door Wassenaar en stopten even bij het huis van zijn ouders. Een prachtige villa. Ik was als jongen uit de Schilderswijk in Den Haag onder de indruk. Niet alleen van het huis overigens, ook van zijn vriendelijke moeder. Eenmaal op het strand aangekomen gingen we een terrasje pikken. Jan Kees keek zijn ogen uit naar alle mooie dames die voorbij liepen. Ik lette er niet op, genoot slechts van mijn colaatje en keek naar de wilde golven van de zee. Jan Kees merkte toen op: “Abd, val jij eigenlijk wel op vrouwen? Jij kijkt nooit naar ze!” Ik keek hem aan alsof ik het in Keulen hoorde donderen. Het glas cola liet ik bijna vallen. Ik wilde er tegenin gaan en was gereed om een woedende woordenvloed op hem af te vuren. Mijn ogen rustten een ogenblik in de ogen van Jan Kees en ik voelde me ineens veilig. “Ja,” zei ik, “ik val niet op vrouwen.” Jan Kees knikte begrijpend en vroeg er verder niets over. 

De volgende dag in de kantine, begon hij wel weer over mijn vermeende homoseksualiteit. Hij gaf aan geen problemen te hebben met homo’s en dat hij hoe dan ook blij was om mijn vriend te mogen zijn. Ik bedankte hem daarvoor. De relatie tussen mij en Jan Kees werd steeds hechter. Hij vertelde dat hij biseksuele gevoelens had, maar op dat moment niets met zijn homogevoelens deed. Ik kwam vaak bij hem over de vloer en zijn moeder kwam vaak bij ons in de grote tuin zitten. Algauw wist zij ook dat ik homoseksueel was en dat ik het mijn ouders niet verteld had. Ik was toen negentien. Ria, zoals zijn moeder heet, vond wel dat ik eens de stoute schoenen moest aantrekken. Het kon niet zo zijn, volgens haar, dat mijn ouders verwachtingen hadden dat ik ooit met een Marokkaanse zou trouwen, terwijl mijn gevoelens nooit zouden uitgaan naar welke vrouw dan ook.

In de zomer ging ik met mijn familie naar Marokko op familiebezoek. Het was heerlijk om weer een keer in Nador te zijn. Ik genoot van de geuren, de aandacht van familieleden en van het heerlijke eten. Mijn vader had een jaar daarvoor een huisje voor ons laten bouwen in het dorp, dus we konden voor het eerst in ons eigen huis verblijven in plaats van bij familieleden. Mijn vader en moeder waren blij om hun broers en zussen weer te zien. Mijn broer ging direct met mijn neven de hort op. Ik bleef met mijn zusjes achter. Op de veranda las ik een boek. Mijn moeder legde mijn tantes uit dat ik altijd meer een boekenlezer was geweest dan haar oudere zoon, de toekomstige arts. Mijn moeder kwam dan vaak even bij me zitten en sprak met me over het dorp en over haar jeugdherinneringen.

De band tussen mij en mijn moeder werd die zomer steeds sterker. Mijn moeder vertelde meer en meer over haar jeugd. Soms liet ze een traan vallen als ze het had over haar strenge doch lieve vader en vaak keek ze dromerig als ze het had over oma en opa die volgens haar de liefste mensen van de wereld waren geweest. Ze eindigde die gesprekken altijd met de zin dat ze in ieder geval hoopte dat haar kinderen het er goed vanaf zouden brengen in dit leven en dat ze ons zou kunnen laten trouwen met goede meisjes. In de laatste week van de vakantie had ik op de veranda weer een gesprek met mijn moeder. Ze vertelde me hoe ze in Nederland was aangekomen, zomaar van het Marokkaanse platteland in Den Haag, een grote westerse stad. Dat ze zo moest wennen aan de openheid en al dat bloot op straat. Ze lachte toen ze zei dat ze zich doodschrok toen ze een stelletje zag vrijen op het pleintje voor ons huis. Ze eindigde weer met de zin dat ze hoopte dat haar kinderen goede Marokkaanse partners zouden vinden. Ik keek haar toen droevig aan. De tranen brandden in mijn ogen. Ze vroeg me wat er was en toen zei ik: “Mam, ik ga misschien nooit trouwen.” Ze slaakte een kreet van schrik, vroeg God me te vergeven voor die opmerking en zei dat ik niet dom moest praten. “Iedereen gaat trouwen”, zei ze. En toen liep ze weer naar binnen. Ik bleef achter met mijn boek op mijn schoot en tranen in mijn ogen.

Terug in Nederland leek het wel alsof de toch al wankele band tussen mijn broer en mij nu geheel verdwenen was. Hij nam het mij kwalijk dat ik in Marokko zo weinig naar buiten was gegaan. “Je leek wel een wijf zoals je alleen maar binnen zat”, schreeuwde hij een keer naar me. Ik ging er maar niet op in. Maar mijn vader begon ook boos te worden. “Je had wel met je neven uit kunnen gaan”, vond hij. “Het is je plicht als man om goed op te kunnen schieten met de overige mannen van de familie. Je wilt toch niet dat ze denken dat je iets mankeert? Dat je geen echte vent bent?” Mijn vader was duidelijk ook woedend. Ik voelde me rot, maar kon niets uitbrengen. In plaats daarvan sloot ik me op in mijn slaapkamer en begon vast te lezen in mijn nieuwe studieboeken. De pesterijtjes van mijn broer gingen maar door. Tijdens het eten, als we tv aan het kijken waren en zelfs bij het ontbijt. Het begon aardig vervelend te worden. Ik schold terug en we kregen constant ruzie. Het leek wel alsof we weer in de puberteit zaten. Mijn moeder probeerde onze ruzies te sussen. Mijn vader bemoeide zich niet met ons. Het was verschrikkelijk pijnlijk om die onverschilligheid van mijn vader te zien. Hij was toch zo trots op zijn twee studerende zonen? Maar die zonen mochten elkaar wel constant voor rotte vis uitschelden. Ik voelde me ellendig.

Jan Kees sprak me er op school over aan. Ik had kringen onder mijn ogen, sliep slecht en at slecht. Ik vertelde hem alles, over de problemen met mijn broer en de laconieke houding van mijn vader. Ik begon te huilen. Jan Kees nam me mee naar buiten. We stapten in zijn auto en reden naar het strand. Het was nog zonnig en warm. We liepen een stuk langs een verlaten strandgebied. Ik vertelde Jan Kees ook over de vakantie. Dat ik best genoten had, maar dat iedereen mij in een stramien wilde persen. Ik mocht niet op mijn manier genieten, ik moest meedoen met de mannen. Ik begon weer te huilen. Jan Kees begon me te omhelzen. En alsof het vanzelf ging, begonnen we elkaar te zoenen. Een leuke liefdesrelatie ontstond tussen Jan Kees en mij. Het was voor het eerst dat ik echt lichamelijk werd met een man. Het voelde natuurlijk en ik was verliefd. Ik was nog nooit verliefd geweest, dus dan ervaar je alles nog heftiger. Mijn familie merkte dat ik veranderd was. Mijn broer maakte er flauwe grapjes over. Het deerde mij niet. Jan Kees en ik waren gelukkig, meer gold niet, vond ik.

Nog nooit had Jan Kees mijn ouders ontmoet. Ik wel de zijne. Vooral met zijn moeder Ria had ik een goede band. Zijn vader, directeur van een grote onderneming, zag ik bijna nooit. Beiden wisten wel van Jan Kees zijn biseksuele gevoelens en ze hadden er geen problemen mee. Ria vond dat ik – vooral nu ik met haar zoon een liefdesrelatie had – het toch echt aan mijn ouders moest vertellen. Ik vertelde haar dat de kans groot zou zijn dat ik het huis uit zou worden gezet. Dan kom je maar bij ons wonen, was haar simpele antwoord.

De dag dat ik het vertelde, kwam uiteindelijk. Mijn broer maakte weer eens ruzie en mijn ouders – mijn moeder had het al opgegeven om in te grijpen – deden niets om het te stoppen. Ik had een nieuw strak shirt gekocht. “Gatver,” riep mijn broer, “je lijkt wel een homo.” Mijn ouders lachten. Ik werd woedend, ik voelde dat ze me aan het uitlachen waren. Het deed pijn. “Ja,” schreeuwde ik, “ik ben een homo. Wat willen jullie nu doen?” Mijn ouders hielden op met lachen. Mijn broer keek me boosaardig aan. Toen begon mijn vader te schreeuwen dat ik geen domme dingen moest zeggen. Ik antwoordde dat ik geen domme dingen zei, dat het de waarheid was. Mijn ouders wilden er niets van horen. Ik vertelde hen dat ik een relatie had. Toen werd mijn vader giftig. Hij begon me te slaan en zei dat ik een varken was. Mijn moeder probeerde tussenbeide te komen. Mijn vader sloeg echter door. “Het huis uit,” gilde hij, “je gaat het huis uit. Ik hoef geen flikker te hebben als zoon.”

Een paar uur later stond ik met een koffer voor Jan Kees en Ria. Ik was ergens blij dat ik nog leefde. Het had erger gekund. Maar ik was wel op. Ik had geen kracht meer in mijn benen en zakte voor de ogen van Jan Kees en Ria in elkaar. Jan Kees en ik hebben nog steeds een relatie. We vullen elkaar aan en voelen ons gelukkig. We zijn samen door die moeilijke periode heengekomen. Ik heb er ook nog hulp bijgekregen van een vriend van Ria die psycholoog is. Mijn ouders hebben me nooit meer geaccepteerd als hun zoon en weigeren me nog te ontmoeten. Een paar keer zag ik mijn moeder in de stad lopen met mijn zusjes. Ze keek me met tranen in de ogen aan, schudde toen afkeurend haar hoofd en liep door, mijn zusjes meeslepend. Ik heb midden op straat een potje staan janken.

Terwijl Jan Kees en ik nu aan het verven en aan het timmeren zijn – we hebben sinds een aantal weken een eigen etage toegewezen gekregen – denk ik terug aan de gesprekken die ik voerde met mijn moeder op de veranda in Marokko. Ik houd van die vrouw, ook van mijn vader, mijn zusjes en zelfs van mijn broer. Ik mis ze zo verschrikkelijk.’

Dit verhaal komt uit het boek ‘Mijn geloof en mijn geluk'. Wil je het boek met daarin alle verhalen bestellen? Klik dan hier.