We dansen, klappen, de heupen schudden in het rond. Op het moment dat er een nummer van Rihanna langs komt gaan de lichten uit en schuren de konten tegen elkaar. Dan pakt iemand de telefoon en zet electro shaby op. Valse platte volksliedjes afgewisseld door rap met een hiphopbeat. Meteen gaan de lichten weer aan en geven de jongens twee aan twee een buikdansshow. Het is de beste, mooiste, gevoeligste buikdans die ik ooit gezien heb. Overhemden worden opgeknoopt, doekjes om de smalle tailles geknoopt. Ik dans voor de vrouwen die wijdbeens toekijken. Onmiddellijk vormen de jongens een kring om me heen en dansen een voor een met mij. We raken elkaar niet aan, net niet, zoals het hoort bij buikdans. Dan gaan de lichten weer uit en verandert de woonkamer in een echte nachtclub. 

Na jaren is het me eindelijk gelukt om door te dringen tot de LGBTQ-community van Caïro. Ze bestaat nog niet zo lang, pas sinds 2010. Toen wisten twee lesbische Soedanese meiden en een aantal jongens elkaar te traceren via een webforum en bouwden ze langzaam een LGBTQ-facebookgemeenschap op. Nadat ik eindelijk een eerste aanknopingspunt gevonden heb, begon een uitvoerige backgroundcheck. Mijn Facebook en website werden wekenlang gemonitored. De meiden benaderden een redacteur van de Volkskrant en een van mijn homoseksuele Facebookvrienden die ik niet eens persoonlijk ken. Of ze voor me in konden staan.

Dan is een groepje eindelijk bereid me te ontmoeten. In een verlaten Grieks restaurant op de tweede verdieping van een aftands gebouw interview ik drie lesbiennes en een mannelijke transgender. Na een half uur breekt het ijs en mag ik met hen mee de auto in. We crossen door de stad op zoek naar alcohol, maar alle drankwinkels zijn gesloten. Dan komen de tongen los. Ze leven dubbellevens, zijn vreemdelingen in eigen land. Over hun stijlvolle kleding dragen de jongens gewone overhemden en spijkerbroeken. De lange haren worden bedekt met petjes. Het mag niet baten, ze worden evengoed aangevallen op straat. De meiden ondertussen worden gedwongen te trouwen en worden om de haverklap door hun familieleden gebeld. 

Maar in de stomende woonkamer is de buitenwereld ver weg. Er wordt niet gejaagd of gezoend. Er zijn geen groepjes en niemand kijkt naar z’n telefoon. Iedereen danst met iedereen. Moslims en christenen. Lesbiennes, homo’s en alles wat er tussen in zit. De jongeren zijn niet rijk, de meeste komen uit de onderste lagen van de middenklasse. Een voor een stellen de gasten zich aan me voor. Ze tillen me op. Delen hun verhalen. En dansen, dansen, dansen, tot de tegels nat zijn van het zweet. Ik ben onder de indruk van het respect, de liefde, de warmte en oprechtheid. De maskers vallen af, de dekmantels verdwijnen. Even is de sociale repressie, de constante angst en het maatschappelijke onbegrip ver weg. 

Uren later nadat het feest afgelopen is en we in een grote groep waterpijp hebben gerookt op straat word ik door twintig jongens naar m’n hostel gebracht. In een brede waaier lopen we over het verlaten Talaat Harb-plein. Ze kussen me een voor een en pakken m’n hand vast. 'Je hebt ons geraakt vanavond, ons allemaal. Je bent één van ons Mounira, je bent onderdeel van onze familie.'

En dan beginnen ze te zingen, eerst zacht maar dan steeds luider. Ik ga naar binnen en loop haastig naar het balkon. Vanaf de tweede verdieping kijk ik naar de stralende gezichten en luister ik naar hun lied, een ode aan het leven, de vrijheid en het geluk en onze grootste liefde bovenal: Egypte.

Monique Samuel (1989) is politicoloog en auteur, volg haar blog op: www.moniquesamuel.nl.