Tussen juni 2012 en juni 2013 rapporteert de SHM 1.100 nieuwe hiv-diagnoses. Dat is bijna gelijk aan de groei die de afgelopen drie jaar werd gemeten. Van de geschatte 25.000 met hiv geïnfecteerde mensen in Nederland, waren er in juni 2013 17.006 patiënten in zorg bij een van de gespecialiseerde behandelcentra. Ongeveer 30% van de geïnfecteerde mensen is nog niet gediagnosticeerd en is naar alle waarschijnlijkheid zich er ook niet van bewust geïnfecteerd te zijn. 

Vooral die laatste groep zorgt er voor dat de epidemie blijft aanwakkeren. Voor individuele hiv-geïnfecteerden is hierdoor de kans groter dat de diagnose bij hen pas later wordt gesteld. In de afgelopen twee jaar was bij ongeveer vier op die tien patiënten op het moment dat zij in de zorg kwamen al sprake van een beschadigd afweersysteem of aids. Een latere diagnose kan ook leiden tot voortijdig overlijden aan aids.

De groep hiv-patiënten die wél in zorg zijn wordt met toenemend succes behandeld. Hierdoor komen er ook weer meer oudere patiënten bij. Zij krijgen daarbij meer te maken met bekende oudersdomsziekten. Ouderdomsziekten als hart- en vaatziekten en bepaalde vormen van kanker komen vaker voor bij hiv-patiënten dan gemiddeld. Late vaststelling van hiv zou ook de kans op ouderdomsziekten kunnen vergroten, door een beschadigd afweersysteem.

“De zorg voor mensen met hiv wordt weer toenemend complex en vergt een brede medische kennis,” zegt professor Peter Reiss, directeur van de SHM en klinisch specialist (AMC-UvA) die zich toelegt op onderzoek naar veroudering en hiv. “Vergrijzing trekt in het algemeen een steeds zwaardere wissel op de gezondheidszorg. Onderzoek naar veroudering bij mensen met hiv kan bruikbare kennis opleveren om beter te begrijpen hoe mensen in het algemeen gezond oud kunnen worden.

Het SHM wil ervoor zorgen dat een hiv-infectie zo vroeg mogelijk wordt vastgesteld, zodat mensen met hiv eerder behandeld worden. Dat kan namelijk bijdragen aan de afname van de epidemie. Ook geeft het de patiënt een gunstiger vooruitzicht op korte en lange termijn. 

Bron: HVN