Je ligt naast me, in diepe rust. Ik hoef mijn hoofd niet om te draaien om te weten hoe je slaapt. Op je buik, één arm onder je lichaam gevouwen. Jouw gedeelte van de deken om je heen gewikkeld alsof het je schelp is. Alsof ik naast een zacht zeedier lig, dat langzaam in- en uitvouwt op het ritme van je ademhaling. 

Het dekbed ruikt naar moeders wasmiddel.

Toen ik de kamer binnenstapte sloot ik onwillekeurig mijn ogen. Flitsen herinneringen vlogen voorbij. Het is een vreemd idee dat je er niet bij was, die tientallen jaren van mijn leven. Het is vreemder om bijna dertiger te zijn. Tot die tijd was mijn toekomstbeeld uitgestippeld in mijn hoofd; school, studie, liefde, trouwen, katten, een huis en een baan. En dat was dan wel het eindstation van mijn vooruitziende blik. Daarna was het leven gevuld en vervuld. De trein zou stoppen op dat lege perron, en ik zou uitstappen en verder lopen in wat er overbleef van mijn leven. 

Ik had er nooit bij stilgestaan dat de trein met een rotgang verder kon denderen. 

Natuurlijk had ik wel geweten dat het leven niet kalm is, dat er kinderen konden komen, een ander huis misschien. Of een andere baan. Maar het grote avontuur zou over zijn als de jeugd voorbij was. Als ik echt volwassen zou zijn. Ik zou niet meer echt kunnen veranderen, het roer omgooien, de wereld achter me laten en ergens totaal anders beginnen. Mijn bedje was gespreid, mijn keuze was gemaakt. Ik zou mijn ouders nooit meer hoeven bellen omdat ik ze ‘iets moest vertellen’. Één plus één zou voor altijd twee zijn.

En hier lig ik dan, alweer een kind.

In de kamer waarin ik ben opgegroeid, in het huis van mijn ouders. Met je langzame adem, in en uit. Met mijn vrouw aan je andere zij, die tevreden knorrende geluidjes maakt. Je eerste ontmoeting met een stel schoonouders ging goed, en jouw vriendinnen wijken nooit van je zijde. Eentje staart er nu het nachtzwart in en denkt aan weer een moment van oneindige stress, een nieuwe coming-out, het opnieuw testen van hoe open haar ouders zouden zijn. Het opnieuw breken van haar eigen grenzen. Alweer een puber.

Alweer mijn eigen grootste vijand.


Al die zorgen voor niets. Het antwoord blijft altijd hetzelfde; ‘als jij maar gelukkig bent’. En dat ben ik. Bijna dertig, met een vier katten, twee huisgenoten, een vrouw en een vriendin. Een completer gezin dan ik ooit had kunnen dromen. Maar toch  klaar om alles binnen een paar jaar achter te laten. Klaar om het roer om te gooien, en je te volgen naar de andere kant van de wereld. Één plus één is niet altijd twee. De trein stopte op mijn halte, maar ik ben niet uitgestapt. Laat die volgende dertig jaar maar komen.