‘Bijna twee jaar geleden werd er hiv bij mij geconstateerd, ik was toen 21. Ik ging een soatest doen, want ik dacht dat ik iets onder de leden had. Toen ik een week later langsging voor m’n uitslag, waren de klachten waarvoor ik de test had aangevraagd al verdwenen. Ik dacht dus dat er niets aan de hand was. Het was maandagochtend en ik had m’n ouders ook al bericht dat ik een test had laten doen en dat ik die ochtend de uitslag zou krijgen. Toen ik het kamertje binnenliep, zei de dame van de polikliniek meteen: ik heb slecht nieuws. Er is hiv bij je geconstateerd. Het gesprek verliep redelijk rustig. Ik dacht: wat is dit en, dit kan niet. Ik wist niet precies wat hiv was. Ik denk dat dat lag aan het feit dat ik er niet in aanraking mee was gekomen. Ik ben wel uit geweest in wat de “gayscene” wordt genoemd. Ik heb daar ook wel een tijdje ingezeten, maar ik ben het gewoon niet tegengekomen. Ik heb er wel vluchtig iets over gelezen, maar wat je niet in je leven tegenkomt, daar kijk je eigenlijk niet naar. Pas toen ik zelf een beugel kreeg, ging ik bijvoorbeeld letten op de beugels van anderen. 

Ik kende wel een aantal namen van soa’s, maar ik merkte aan de toon van de poli-medewerkster dat het niet goed zat. Ik begon gelijk allemaal vragen te stellen en toen heeft zij heel lief uitgelegd wat het virus precies inhield. Ik was ook een beetje verbouwereerd en wist niet zo goed wat ik ermee moest. Ik dacht wel, ik moet alle informatie die zij geeft gelijk opslaan, alsof ik aan het blokken ben voor een eindexamen. Ook zodat ik het kon uitleggen aan anderen, m’n ouders bijvoorbeeld. De wereld stond op dat moment ineens stil voor me. Alsof ik het middelpunt was en ik niks aan kon grijpen. Toen het gesprek over was gaf ze me een hand en zei ik: mag ik een knuffel? Daarna werd ik doorgestuurd naar de internist, die veel dingen begon uit te leggen en te herhalen. Ik moest ook nog een bloedonderzoek laten doen, om allerlei waardes te meten in m’n lichaam.’ 

‘Veilige seks omvat veel meer dan alleen neuken met condoom’

‘Op het moment dat ik bij het afnamelab zat, werd ik gebeld door m’n moeder. Ik was natuurlijk al een uur of drie weg en zij wist hoe laat ik de uitslag zou krijgen, dus ze voelde wel aan dat er iets mis was. Toen heb ik voor het eerst tegen haar gelogen: ik zei dat de waardes nog niet goed waren, dat ik opnieuw een test moest doen en dat ik volgende week de uitslag zou krijgen. Ik wilde het haar niet via de telefoon vertellen. Ik wilde erheen gaan om het haar gewoon persoonlijk te vertellen. Dat leek me het fijnst, het handigst, ondanks dat dat wel zwaar en raar was om te doen, zo voorliegen. Ik ben die dag erna direct naar mijn ouders toe gegaan. M’n moeder stond te koken toen ik binnenliep, ik heb het haar gelijk verteld. Iets later kwam m’n vader ook en hebben we een halfuur met elkaar gehuild. Er waren heel veel emoties, vooral bij m’n ouders: woede, verdriet, onmacht. Zij dachten vooral: wie heeft mijn kind dit aangedaan, hoe kan dit? Ik was daar eigenlijk vrij rustig over. Ik had geen behoefte om te weten welke van m’n sekspartners ook hiv had gehad, of hoe ik het heb opgelopen. Ik heb altijd seks gehad met condoom en toch kan het dan verkeerd gaan. 

Ik ben destijds op allerlei instanties afgestapt om te vragen hoe dit nu heeft kunnen gebeuren. Het kan bijvoorbeeld zijn geweest dat ik nog sperma aan m’n hand had en langs een wondje op m’n lippen veegde. Of er kan een gaatje in het condoom hebben gezeten. Veilig seksen omvat veel meer dan alleen een condoom gebruiken bij anale seks. Wanneer sperma met bloed in aanraking komt kan het hiv-virus worden overgedragen.’

‘Ik was heel bang om het mijn vriend te vertellen’

‘Vanaf toen moest ik er een beetje mee leren leven. Ik ben altijd wel heel oplossingsgericht en positief – nu letterlijk en figuurlijk (lacht). In de weken en maanden erna ging het soms als een achtbaan op en neer. Soms ging het heel goed en ineens kon ik me dan weer heel kut voelen. Gewoon als iemand het erover had op tv, als ik er iets over las, of als mensen het er toevallig over hadden. Het raakt je dan opeens. Nu weet ik hoe ik daarmee om moet gaan. Een tijdje geleden was het nog zo dat als iemand erover begon, ik helemaal rood aanliep.

Ik heb het aan één goede vriendin verteld en ik heb nu meer dan een jaar een vriend die ik ook heel vroeg al verteld heb dat ik seropositief ben. Het voelde goed en ik dacht: dit moet ik gewoon vertellen, dit moet hij weten. Ik was heel bang om het hem te vertellen, maar hij ging er goed mee om. Hij is echt fantastisch. Een van zijn ooms is ook seropositief, dus hij wist er al wat van af. Hij zei: het is deel van jou, maar jij bent het niet. Het verandert niets aan hoe je persoonlijk bent. Dat is precies hoe ik er zelf over denk. Ik zeg altijd: ik hou van chocola, van pannenkoeken, van thee, van mannen en ik heb hiv. Dat laatste is maar een piepklein deeltje van wie ik ben, maar helaas wel iets waar mensen je vaak flink om veroordelen. Er is echter altijd hoop: hoop dat dat verandert, hoop dat mensen kunnen veranderen, hoop dat mensen wijzer kunnen worden, hoop dat mensen handelen uit liefde en niet meer uit geweld. 

Verder heb ik niet aan heel veel mensen verteld. Het is gelijk zo’n beladen onder-werp: “Ga even zitten, je moet iets van me weten. Pak even een glaasje water.” Ik vind het vaak gewoon niet belangrijk. Net als dat je uit de kast moet komen eigenlijk. Ik vind dat je dat ook niet per se aan mensen zou hoeven vertellen – ze wisten het in mijn geval denk ik allang, maar goed (gniffelt). Ik denk nooit echt in hokjes of kaders, dus ik vind ook dat je jezelf niet die hokjes moet opleggen. Ik vertel het misschien als het een goede vriend of vriendin is, maar ik heb niet zo’n behoefte om het van de daken te schreeuwen.’

Hier lees je deel twee van Michiels verhaal.

*De naam Michiel is om privacyredenen gefingeerd.