Jonas Roelens'Sommige getuigenissen die nochtans eeuwenoud zijn, lijken zo uit onze eigen tijd te komen, zoals het verhaal van Michiel Weyns uit 1470. Michiel was een stuurman uit Oostende die vaak te vinden was in bepaalde Brugse herbergen op zoek naar sekspartners. Michiel trakteerde er mannen die hem bevielen, maakte een praatje met hen, en probeerde nadien hun ‘mannelijkheid’ te betasten. Thierry Dijcman, één van Michiels partners was blijkbaar ‘not amused’, aangezien hij Michiel aangaf bij de baljuw die een onderzoek instelde. Tijdens zijn ondervraging onder tortuur bekende Michiel dat hij wel vaker penissen betastte, maar dat hij dat meestal deed in de zogenaamde ‘stoven’ of publieke badhuizen van de stad. Michiel ontkende echter dat hij met die mannen ook effectief seks had gehad. Omdat Michiel een oude man was, moest hij slechts een boete betalen, waarna hij werd vrijgelaten.   

Ondanks deze gelijkenissen tussen het heden en het verleden, is het onderzoek naar homoseksualiteit in de vroegmoderne tijd (ruwweg de periode die loopt van de 15de tot en met de 18de eeuw) niet altijd evident. Dat is eerst en vooral zo omdat men in de vroegmoderne periode geen equivalent had voor onze huidige term ‘homoseksualiteit’, aangezien het woord  pas sinds de 19de eeuw gebruikt wordt. Met ‘homoseksualiteit’ bedoelen we tegenwoordig dat bepaalde mensen zich exclusief voelen aangetrokken tot mensen van hun eigen geslacht en dat deze seksuele oriëntatie ook –deels- hun persoonlijkheid en identiteit bepaalt. Dit concept was niet aan de orde in de vroegmoderne samenleving, waar mensen niet opgedeeld werden tussen  hetero’s en holebi’s. 

In plaats van ‘homoseksualiteit’ gebruikte men de term ‘sodomie’, die afgeleid is van het Oudtestamentisch Bijbelverhaal over de steden Sodom en Gomorra. Deze steden werden door God met vuur en zwavel onherroepelijk van de aardbodem weggevaagd omdat de mannelijke inwoners van beide steden anale seks met elkaar hadden. In de vroegmoderne samenleving werd sodomie gebruikt om alle vormen van seksueel deviant gedrag te beschrijven dat niet op voortplanting gericht was, zoals: niet-vaginale seks tussen man en vrouw, masturbatie, bestialiteit, pedofilie, necrofilie en uiteraard ook homoseksualiteit. Sodomie werd ook in verband gebracht met etniciteit: een seksuele relatie tussen een christen en een jood of moslim werd per definitie als onrein beschouwd en dus als sodomitisch veroordeeld. In de Zuidelijke Nederlanden werd ook vaak het woord ‘buggherije’ gebruikt om sodomie aan te duiden. Deze term verwees oorspronkelijk naar een ketterse sekte afkomstig uit Bulgarije en toont aan hoe religieuze en seksuele zonden met elkaar verweven waren in de premoderne maatschappij. 

Hierdoor werden sodomieten als een groot gevaar beschouwd voor de samenleving. In de vroegmoderne tijd bestond namelijk de angst dat samenlevingen die sodomie niet bestraften, hetzelfde lot konden ondergaan als de Bijbelse steden Sodom en Gomorra. Men interpreteerde dit verhaal als een direct teken van Gods toorn tegen dit misdrijf. Het idee dat God een volledige samenleving kon straffen vanwege de zonden van enkele individuen was springlevend, en in juridische teksten uit die tijd is dan ook vaak te lezen dat de aanwezigheid van sodomieten in de samenleving verschrikkelijke rampen kon veroorzaken zoals “hoghere pestilencien, orloghen, eertbevynghen, inondacien ende diere ghelycke meer andere plaeghen”, enzovoorts. Hier en daar blijft dit idee zelfs tot op  vandaag de dag doorleven, zoals bleek uit het feit dat de geestelijke leiders van de Servisch Orthodoxe Kerk de overwinning van transgender Conchita Wurst op het Eurovisiesongfestival aangrepen om de recente overstromingen in de Balkan, die aan tientallen mensen het leven kostten, te verklaren.'

De rest van het artikel vind je in het nieuwe nummer van Gay&Night-ZiZo.

TEKST: Jonas Roelens / BEELD: Stadsarchief Gent, Reeks 214/8, Bouc vanden Crime, f° 258 v°.