‘Van jongs af aan zijn we meegenomen naar de kerk, de Vrije Baptistengemeente Bethel in Drachten, da’s een evangelische stroming. Het is een van de grootste lokale kerken van Nederland. Zo’n gemeente met een theaterzaal, waardoor het misschien best modern lijkt, maar eigenlijk zijn ze vrij streng in hun leer. Op mijn vijftiende heb ik zelf besloten dat ik er actief mee door wilde gaan, ik had het er wel naar m’n zin en had er een hele vriendengroep opgebouwd. Ik heb me daar zelfs opnieuw laten dopen; ik was als baby natuurlijk wel gedoopt, maar binnen deze kerk gelooft men in een doop op volwassen leeftijd, want dan kun je er zelf voor kiezen. Dan is het niet omdat je ouders het zo graag willen, maar omdat jij het zelf wil. Mijn ouders hebben me vrij gelaten in die keus; het werd natuurlijk wel gewaardeerd dat ik bij de kerk bleef – vooral door m’n moeder – maar het was wel echt mijn eigen keus. Het was ook een sociaal iets, een aantal klasgenootjes zaten bij deze kerk en we trokken veel met elkaar op. Ik wilde hier zelf echt bij horen, het paste bij mij. Binnen de kerk ben ik ook altijd actief geweest. Vroeger begon dat met de bediening van de beamer, dus het projecteren van liedteksten tijdens diensten. Later ben ik overgestapt naar de band van de kerk, waarbij ik ongeveer negen jaar actief ben geweest.

Homoseksualiteit was vroeger niet zo’n onderwerp. Volgens mij heb ik daar als kind niet heel specifiek iets over meegekregen vanuit de kerk. Thuis wel, mijn moeder vond het een ziekte. Dat zat goed in mijn hoofd, dat het niet hoorde. Maar volgens mij werd er vanuit de kerk niet over gesproken, ik geloof niet dat het een thema was waar ze graag over uitweidden.

Vanaf mijn twaalfde of dertiende was ik bezig met mijn eigen homoseksualiteit. Aanvankelijk geloofde ik dus dat het niet hoorde, dat ik er ook nooit iets mee wilde doen en dat ik het zéker nooit tegen iemand zou zeggen. Dat heb ik heel lang vol weten te houden. Ik hoopte van harte dat het over zou gaan, dat leek me een stuk makkelijker. En dat denk ik nog steeds wel. Ik bedoel, ik ben er nu tevreden mee, maar het zou een hoop gedoe besparen. Ik begon me toen af te vragen of ik dan maar de rest van mijn leven geen relatie moest hebben, of misschien moest ik dan toch maar eens proberen om een vriendinnetje te krijgen, misschien dat het dan vanzelf over zou gaan. Ik had zo m’n plek gevonden binnen die geloofsgemeenschap, mijn hele sociale kring was daar. Naast het geloof waren er heel veel sociale gebeurtenissen. Die wilde ik niet missen, en ik vond het hartstikke leuk om bij de band te zingen. Pas anderhalf jaar geleden ben ik bij mezelf gaan denken dat als ik echt homo ben, het tijd werd om dat te gaan waarderen en respecteren, en om het ook aan mensen te vertellen, wetende dat dat gevolgen zou gaan hebben binnen de geloofsgemeenschap.

Ik ben begonnen bij mijn vrienden. Bij hen was het eigenlijk niet zo’n groot punt. Een paar maanden later heb ik het m’n ouders verteld. Mijn moeder had inmiddels niet meer dat beeld dat homoseksualiteit een ziekte is. Zij hadden de afgelopen jaren natuurlijk ook wel door wat er met me aan de hand was. Mijn ouders hebben er allebei heel positief op gereageerd. Ik ben jarenlang depressief geweest, en toen ik uit de kast kwam zeiden mijn ouders dat het verborgen houden van mijn homoseksualiteit daar misschien wel een van de belangrijkste redenen voor zou kunnen zijn geweest: “Je kon nooit jezelf zijn, je kon niet op zoek naar liefde, dat kan flinke impact hebben”. Ik heb destijds zelf nooit bewust het gevoel gehad dat het daadwerkelijk daardoor kwam, maar het ging na mijn coming-out wel een stuk beter met me. Maar toen werd het tijd om het aan de kerk te gaan vertellen. Ik wist dat het daar een issue zou gaan worden.

Verder lezen? Jelmers hele verhaal vind je in Gay&Night #205, vanaf volgende week gratis verkrijgbaar op meer dan 250 locaties in Nederland en nu al online te lezen.

Tekst: Martijn Tulp / Fotografie: Mgr Madhatter