Asha ten Broeke schreef dat het idee al is sinds de jaren negentig een mantra is binnen de homobeweging. Maar de wetenschap achter het biologische homo-onderzoek blijkt dus wankel. Wetenschappers stellen dat er nooit genen zijn gevonden die duidelijk samenhangen met homoseksualiteit. En in een grote Zweedse tweelingstudie, waar ook Ten Broeke naar refereert, becijferden onderzoekers de erfelijkheid van homoseksueel gedrag op 35 à 39 procent voor mannen en 18 à 19 procent voor vrouwen. De rest zou toe te schrijven zijn aan omgevingsinvloeden. En de onzekerheidsmarges van deze uitkomst zijn groot. Er is 95 procent kans dat de erfelijkheid van homoseksualiteit voor mannen tussen 0 en 60 procent ligt en tussen 0 en 49 procent voor vrouwen. Helaas kan ook niemand aan een hersenplakje aflezen of iemand homo is of niet. Ook de aanwijzingen dat een gebrek aan testosteron in de baarmoeder tot homoseksualiteit leidt zijn indirect.

Mogelijk onderschatten wetenschappers het idee dat homoseksueel gedrag zó normaal is dat het bij alle mensen min of meer aanwezig is.

Homoseksualiteit is ook in het apenrijk wijd verbreid. Mannetjes-chimps friemelen aan elkaars ballen. Ook bij de orang-oetan doen de mannetjes het met mannetjes en vrouwtjes met vrouwtjes. Daarom, stelt wetenschapper Kahn, is het misschien tijd voor een nieuwe werkhypothese: binnen het biseksueel spectrum zullen sommige mensen bij het homoseksuele en anderen bij het heteroseksuele uiteinde uitkomen. Maar we kúnnen allemaal op mannen en vrouwen vallen.

Bron: Aeo.co / Vrij Nederland