“De homofoben zitten in hetzelfde kamp als ik”

Interview Syrische vluchteling

Leestijd: 2 minuten - door Martijn Tulp op 22 oktober 2015

Sarjon (19) is een knappe, goedgeklede jongeman die graag luistert naar Lady Gaga, Björk en FKA Twigs. Later wil hij graag filmmaker worden. Zo op het eerste gezicht is er niets met hem aan de hand, maar hij heeft een aangrijpend verhaal. Sarjon groeide op in Syrië en kwam naar Nederland om de oorlog en homofobie in zijn thuisland te ontvluchten. “Maar de homofoben zitten in hetzelfde vluchtelingenkamp als ik, en laten me niet met rust.”

Leven met oorlog
Mijn ouders hebben me altijd erg onafhankelijk opgevoed. Ze weten niet dat ik op jongens val, maar voelen dat er iets ‘anders’ aan me is. Ik heb m’n eigen stijl, ik heb wat piercings – niemand in Syrië heeft piercings. Mijn ouders denken waarschijnlijk dat het ‘iets artistieks’ is. Ik word al m’n hele leven gepest. Op straat werd ik door kinderen van m’n school in elkaar geslagen, ze scholden me dagelijks uit voor flikker. Het kwam niet alleen door het feit dat ik homo ben, het kwam doordat ik anders ben. Aanvankelijk dacht ik dat ik de enige homo ter wereld was, maar daardoor voelde ik me eigenlijk vooral speciaal. Als homo in Syrië sta je constant onder druk, het kan heel verstikkend voelen. Je moet sterk in je schoenen staan om dat aan te kunnen. Mensen zijn zo intolerant. Ik hoor al mijn hele leven over extreem geweld tegen homo’s in Syrië. Ik denk dat homo’s daardoor een beetje afgestompt raken, ze worden heel bitchy en vergeten hoe ze lief moeten hebben. En zo worden homo’s in Syrië ook gezien – het heeft niets met liefde of emoties te maken, ze willen gewoon seks met andere mannen. En dan heb je ook nog de berichten over ISIS die homo’s geblinddoekt van gebouwen af gooit. Dat is heel beangstigend om te horen, en maakt me erg boos.

We mochten van mijn ouders zelf bepalen of we Moslim wilden zijn of niet – op mijn zeventiende werd ik atheïst. Daardoor ben ik een hoop vrienden kwijtgeraakt. Ik heb het idee dat men erg materialistisch is in Syrië, alles is zo oppervlakkig. Mensen willen gewoon trouwen, het maakt eigenlijk niet uit met wie.

Ik was net begonnen aan de middelbare school toen de oorlog uitbrak. Ik werd iedere dag wakker met het geluid van geweerschoten en bommen die afgingen. Het houdt nooit op. Soms is het was luider, soms wat zachter, maar het geluid gaat nooit helemaal weg. Daardoor word je erg gestresst. Als je je huis uit wil, moet je eerst opzoeken welke gebieden op dat moment relatief veilig zijn. Als je naar buiten gaat, moet je eerst checken of er wel mensen op straat zijn. Als de straten verlaten zijn, dan is er misschien een schutter op straat, die je direct neer zou kunnen schieten. In dat geval ga je maar weer naar binnen, tenzij het een noodgeval is – dan sluip je maar wat rond en blijf je zo dicht mogelijk bij gebouwen, in de hoop dat je niet gezien wordt. Moet je je voorstellen dat je dat dag in dag uit meemaakt, alleen om naar school te kunnen gaan. Je schiet vanzelf in een soort onbevreesde modus. Op een gegeven moment voelde ik niets meer als er weer een bom afging.

“Je hebt weinig keus, dus je gaat maar in zo’n oude, kapotte rubberboot”

Alle scholen in de stad Aleppo waren op een gegeven moment dicht, dus stuurde mijn ouders me in mijn eentje naar het dorpje Al-Salamiyah om de middelbare school af te maken. Ik was nog maar 16 jaar, en woonde twee jaar bij mijn grootouders. Dat heeft me enorm veranderd. Als er al andere homo’s in dat dorpje woonden, hebben ze zich erg goed verscholen gehouden. Ik was enorm eenzaam in die tijd, en echt op mezelf aangewezen.

Toen ging ik terug naar de stad. Eerst naar Damascus, waar ik mijn vriendje ontmoette. Hij woont daar nog steeds, en we zijn nu acht maanden samen. In Syrië is er geen Grindr, alleen Hornet en een site die ManJam heet. Voordat ik mijn vriendje ontmoette datete ik niet veel. Het was de bedoeling dat ik terug zou gaan naar Aleppo om Milieutechniek te studeren, maar volgens mijn moeder zou ik dan niet veilig zijn. Mijn vader gaf mij de keus: naar Damascus verhuizen om kleinkunst te stureren, of naar Turkije gaan met mijn broer. De logische, makkelijke keuze zou zijn om naar Damascus te gaan, dan kon ik samen zijn met mijn vriend en een studie volgen, en zou ik gelukkig zijn. Maar ik droomde er ook van om filmmaker te worden, en vooral om ergens te wonen waar ik niet dagelijks met oorlog en homofobie te maken zou hebben. Ik besloot om met mijn broer mee te gaan naar Turkije.

Sarjon LHBTQ-vluchteling

Niets meer te verliezen
We bleven twee maanden in Turkije. Het was erg moeilijk voor ons om daar een leven op te bouwen, te studeren en onafhankelijk te zijn. Mensen uit Syrië worden echt gehaat in Turkije. Ik besloot weg te gaan en te proberen naar Nederland te vluchten. Het lijkt een bizar idee om illegaal te gaan reizen. Maar ik had toch al niet voor de makkelijke oplossing gekozen. Het is erg gevaarlijk, je kunt om het leven komen. Je hebt vast gehoord over de ‘death boats’ die de Egeïsche Zee proberen over te steken van Turkije naar Griekenland. En zelfs op het Europese vasteland was er een truck met 71 Syrische vluchtelingen erin die allemaal zijn gestikt. Het is raar om op voorhand van die dingen af te weten, en toch te besluiten te vluchten. Ik had het gevoel dat ik niets meer kon verliezen. Toen ik klaar was om te vertrekken besloot mijn broer ook mee te gaan. Onze reis duurde ongeveer een maand.

Er zijn twee soorten smokkelaars. Er zijn smokkelaars die je in een boot zetten en dat is het, dan heb je smokkelaars die echt met je meelopen – die worden guiders genoemd. We hebben zo’n guider gebruikt om de grens bij Hongarije over te steken. De meeste smokkelaars zijn leugenaars. Soms heb je de mogelijkheid om je geld aan een vriend te geven, en als je veilig bent aangekomen geef je die vriend een seintje en dan betaalt hij je smokkelaar. Zo heb ik het gedaan. Ik betaalde € 1.300 om de zee van Turkije naar Griekenland over te steken. Ik heb verhalen gehoord van andere vluchtelingen die extra betaalden zodat ze niet in een rubberboot hoefden, maar op een grotere boot of zelfs een jacht. Uiteraard wachtten er bij aankomst alleen rubberboten op ze, maar je kunt dan niet echt teruggaan en je geld terugvragen, want er is overal politie. Je hebt niet echt een keus, dus je gaat maar in zo’n oude, kapotte rubberboot. Een van m’n vrienden is wel op een jacht gegaan, en die is gezonken. Als een rubberboot zinkt blijf je achter in het water en heb je nog kans dat de kustwacht je redt. Als een jacht zingt zuigt het alles met zich mee onder water. Er ontstaat een soort van zwart gat, supergevaarlijk. Toen de boot onder water ging bleef iedereen in de buurt, maar die vriend is een goede zwemmer en besloot weg te zwemmen. Daarom leeft hij vandaag nog.

Vaak stoppen de smokkelaars ook niet genoeg benzine in de buitenboordmotor, dus dan zit je midden op zee ineens zonder benzine en moet je maar wachten tot de kustwacht je redt. Als de kustwacht niet komt zink je uiteindeijk. Normaal gesproken gaan er in een rubberboot ongeveer tien mensen. Toen ik onze smokkelaar aan de lijn had zei hij dat er ongeveer 25 mensen in onze boot zouden zitten, maximaal 30. Toen we bij de boot aankwamen, telde ik 45 mensen. Maar wat kun je op zo’n moment doen? Toen we wegvoeren waren de golven ontzettend hoog, het was doodeng. Maar wat ik vooral beangstigend vond waren de gezichten van de andere vluchtelingen. Ik zat in het midden van de boot. Het duurde anderhalf uur tot we in Griekenland waren, en dat was nog snel – sommige boten doen er wel vijf uur over, omdat ze steeds moeten zorgen dat ze niet worden opgepakt door de Turkse kustwacht.

Sarjon LHBTQ-vluchteling

We kwamen aan op een militair eiland waar we twee dagen bleven met zo’n 200 mensen. Het eiland was er niet op ingericht om zoveel vluchtelingen op te vangen. Het leger nam ons op, maar wist niet zo goed wat ze met ons moesten doen. We werden in een klein afgezet gebied geplaatst. We kwamen net van zee, waren zeiknat en sliepen in de modder. Het was erg dramatisch. Toen namen ze ons mee naar een ander eiland, Leros, waar we papieren kregen en 15 dagen de tijd kregen om Griekenland te verlaten. De militairen gaven ons heel harde biskwietjes te eten, waar je honger van wegging. Dat hebben we een week lang gegeten. Toen vertrokken we naar Samos, vervolgens naar Athene. Daar werd ik erg ziek, dus mijn broer en ik logeerden een paar dagen bij familieleden die we daar hebben. Daarna zou het supermakkelijk zijn geweest om het vliegtuig te pakken naar Schiphol, maar daar heb je een neppaspoort voor nodig, en dat kost € 4.000. Zoveel geld hadden mijn broer en ik niet. Dus hebben we veel gelopen. Je loopt gewoon achter de menigte aan. Van Griekenland gingen we naar Macedonië, waar we heel snel doorheen waren. Toen naar Servië, waar we in wat vluchtelingenkampen verbleven. De politie is erg behulpzaam om te zorgen dat je naar het volgende land kunt. In Servië vertelde een agent me waar ik heen moest lopen, dat ik dan in een dorpje aan zo komen, en vanuit daar een taxi kon nemen naar een treinstation. Hij was erg aardig.

Hongarije was het grootste probleem. We hadden zoveel tijd verspild in Athene, en we wist niet zeker of de Hongaarse grenzen snel dicht zouden gaan. We gebruikten weer een guider, die ons door maisvelden leidde. Het regende, overal was modder, mensen gleden steeds uit. We kwamen aan in Boedapest, en ik herkende het treinstation van foto’s die ik ooit had gezien. Als je illegaal in Hongarije bent, kun je gearresteerd worden, dus je moet steeds op je hoede zijn en de politie ontwijken. Uiteindelijk kwamen we toch aan in Oostenrijk, waar het een beetje voelde alsof we een marathon hadden gelopen. We dachten dat alles goed zou komen als we eenmaal in Oostenrijk waren, omdat je dan supermakkelijk naar Duitsland kan, en dan door naar Nederland. Maar toen kwamen er ineens op een dag 1.400 vluchtelingen aan in München. We ontmoetten een Oostenrijks meisje dat vluchtelingen hielp, en zij vertelde ons dat Duitsland de grens had gesloten. Ik was nog steeds in Oostenrijk toen dat gebeurde, en ik zou via Frankfurt naar Amsterdam reizen. Mensen waren links en rechts treinen aan het annuleren of omboeken, omdat Duitsland bijna niemand meer binnen liet, zelfs geen toeristen. We besloten om via Keulen te reizen, maar daar moesten we erg voorzichtig zijn om niet door de politie opgepakt te worden. Als de politie ons in Duitsland zou hebben gevonden, hadden we daar asiel aan moeten vragen, maar ik wilde juist naar Nederland. Mijn broer besloot door te reizen naar België, waar hij nu nog steeds is. De reis naar Keulen was doodeng. Iedere keer als de trein stilstond kwam er politie aan boord. Er verspreidden zich geruchten door de trein dat enkele Syrische jongens waren opgepakt. Wij zagen er ook uit als vluchtelingen, hadden al dagen niet gedoucht, het was echt een bende. Maar er gebeurde niets, we vielen gewoon in slaap en kwamen aan in Keulen. Onze trein naar Amsterdam zou twee uur later vertrekken. We waren toen nog met z’n vieren, en we besloten ons in de Pizza Hut op het station te verstoppen. Uiteindelijk stapten we in de trein en arriveerden we in Amsterdam.

De smokkelaars geven je niet veel uitleg. Meestal hadden we geen flauw idee waar we ons bevonden. Ik wist alleen dat we in Hongarije waren omdat ik het treinstation herkende van foto’s die ik vroeger had gezien. Een tijdje later waren we ergens anders, en zag ik een souvenirwinkel. Ik schoot mijn broer aan en zei ‘Volgens mij zijn we in Oostenrijk!’. Hij vroeg ‘Hoe weet je dat?’ en ik wees naar een enorme poster van Mozart.

“Toen ik naar de 'gay caravan' werd verplaatst, wist het hele kamp dat ik homo was”

“We zijn niet meer in Syrië”
Het eerste dat we in Amsterdam deden was een piepklein flesje wijn kopen, om het te vieren. We waren superblij, maar natuurlijk maken we ons nog steeds zorgen om onze ouders, mijn vriendje en vrienden die in Syrië achtergebleven zijn. We gingen naar de politie, vertelden ze dat we uit Syrië kwamen, en zij hebben ons uitgelegd wat we moesten doen. Ze gaven ons in het Arabisch informatie over hoe we naar Ter Apel, een registratiepunt voor vluchtelingen in het zuidoosten van Groningen, moesten reizen. Zo kwamen we op station Zwolle, waar mensen uit de buurt ons eten gaven en uitlegden hoe we verder naar Ter Apel moesten reizen. Dat was echt te gek.

In Ter Apel werden we geplaatst in een enorme kamer met alleen maar bedden erin, waar 300 mensen verbleven. Je kiest gewoon een bed en gaat slapen. Iedereen keek naar me, en ik had al snel door dat ze over me roddelden. Sommige andere vluchtelingen leken zelfs een beetje bang voor me te zijn, misschien vanwege m’n piercings, anderen keken me vol walging aan. Op een gegeven moment probeerde ik koffie te zetten, toen een van de mannen zei ‘schiet eens op, flikker, anders sla ik je in elkaar’. Ik vertelde hem ‘we zijn niet meer in Syrië’ en toen liep hij gewoon weg. Uiteindelijk heb ik tegen de kampleiding verteld dat ik gepest werd, dat mensen dreigden om me in elkaar te slaan. Ik werd verplaatst naar de ‘gay caravans’ – ik deelde een caravan met twee homo’s en een transseksueel uit Turkije. Toen ik naar de ‘gay caravan’ werd overgeplaatst wist het hele kamp meteen dat ik homo was. Dat zorgde voor meer blikken vol walging, en er waren ook heteromannen die ineens naar me keken alsof ze me wilden neuken. Er was een oudere man die me steeds bleef lastigvallen. Nu zit ik in Arnhem, maar ik weet niet hoe lang ik hier zal blijven. Het is een oude gevangenis, en ik deel een ‘cel’ met George, een vriend van me, dus dat is wel fijn. Het is nog steeds raar om in de gemeenschappelijke douches te gaan en me uit te kleden en te douchen met de mannen die me pesten. Ik heb zelfs gevraagd of ik niet terug kon naar Ter Apel, maar dat bleek geen optie te zijn. Hoeveel ik ook word gepest of lastiggevallen, ik voel me op een bepaalde manier ook wel veilig. De mensen die in het vluchtelingenkamp werken zijn erg vriendelijk en meewerkend. Ze doen echt hun best. Ik heb enorme waardering voor wat de regering allemaal doet om ons te helpen. Het eten is heerlijk. En een paar dagen geleden kregen we extra dekens tegen de kou.

Het gaat blijkbaar vier maanden duren voor we hier weg kunnen. Sommige andere vluchtelingen werden erg boos toen ze dat te horen kregen. Over vier maanden verwacht ik mijn verblijfsvergunning te krijgen, en word ik naar een plaatselijk kamp verplaatst, tot ze een woning voor me vinden waar ik de komende vijf jaar kan blijven. Je krijgt dan een soort salaris, tussen de 700 en 900 euro per maand, om huur en andere vaste lasten van te betalen. En er wordt een aantal cursussen aangeboden, zoals Nederlands en een integratiecursus. Natuurlijk wil ik uiteindelijk in mijn eigen levensonderhoud kunnen voorzien door te gaan werken, en ik zou graag willen studeren.

LHBTQ-vluchteling Sarjon

Het was zo mooi om te zien hoe vriendelijk en mensen waren. In Servië ontmoette ik een journalist, en we spraken een paar uur met elkaar. Hij vroeg me wat tot nu toe het vervelendste onderdeel van mijn reis was, en ik zei ‘mijn telefoon, de batterij is altijd op’. Hij ging even weg, en een paar minuten later kwam hij terug met zo’n oplaadbatterij. Dat was echt een verrassing. Toen ik in Oostenrijk aankwam was ik echt een beetje vies en ik stonk. Er was een heel klein meisje, ongeveer zes jaar oud, die naar me opkeek en glimlachte. Daardoor voelde ik me helemaal warm van binnen. Dat soort momenten vergeet ik nooit meer. Zelfs in Nederland zijn mensen zó vriendelijk, ze glimlachen de hele tijd. Dat zie je amper nog in Syrië – er is oorlog, iedereen kijkt bezorgd, ellendig en fronst de hele tijd. Dus dan ben je bijna verbaasd als je iemand ziet glimlachen, of wanneer een vreemde zomaar hoi tegen je zegt.

Ik heb veel contact met m’n ouders. Ze willen geen gezinshereniging, ze willen in Syrië blijven. Mijn broer en ik willen niet dat ze daar blijven, maar ze weigeren te vertrekken. Ze zeggen ‘als we dood moeten gaan, sterven we liever thuis’.

Ik ben een artiest. Met of zonder oorlog, ik blijf een artiest. Ik wist altijd al dat ik Syrië ooit zou verlaten, want er worden geen films gemaakt, en ik pas sowieso niet binnen die cultuur. Dat begrijpen mijn ouders ook. Mijn vriendje woont nog steeds in Damascus, we hebben dagelijks contact. Als hij moet reizen word ik erg nerveus. Er kan altijd iets gebeuren, je weet alleen niet wanneer. Ik zou graag de kans krijgen om hem naar Nederland te halen, zodat we hier samen een leven kunnen opbouwen, misschien zelfs trouwen. Ik hoop op het beste. Ik heb een risico genomen, ik kon nergens meer heen. Hier ben ik tenminste veilig en vrij. En ik kijk ernaar uit om iets van mijn leven te maken, nu ik hier ben.

Foto's: Leonel Piccardo

Dit interview werd eerder gepubliceerd in november 2015 in Gay&Night Magazine.

Advertentie
Advertentie
Delen op

Winq in je inbox

Meld je aan voor onze nieuwsbrief en ontvang wekelijks een overzicht van de beste artikelen.

Magazine 103

Deze keer: een speciale Pride-editie

Neem een abonnement

Geef cadeau