Ik ben nu 49. Toen ik de lagereschoolleeftijd had, kruisten er (naar mijn weten) weinig homo’s mijn pad. Nu ik terugkijk, was Albert Mol eigenlijk een van de weinigen en dat was ook nog op de televisie. Als ik en mijn broers in het weekend ’s avonds met gewassen haartjes en een schaaltje paprikachips met onze ouders op de bank zaten, keken we naar Wie van de Drie. Met Martine Bijl, Kees Brusse en Albert Mol als panelleden. Ik weet nog dat toen de term ‘van de verkeerde kant’ weleens viel. Ik begreep daar als kind helemaal niets van en toen ik er een keer naar vroeg, kreeg ik alleen als antwoord: 'Nou, hij. Die Albert Mol.' Nog steeds tastte ik volledig in het duister.

'Ineens viel het kwartje: van de verkeerde kant... Albert Mol was gewoon een Brit!

In de zomer dat ik 7 was, gingen wij op vakantie naar Engeland. Maar de lol was er (tijdelijk) snel af toen onze vader bij aankomst in Dover de auto van de ferry afreed en meteen een rotonde tegen de richting in nam. Paniek alom in de overbepakte rode Mazda. Gelukkig geen ongelukken, maar we begrepen op de achterbank de ernst van de situatie: een vader die nog niet in een vakantiestemming verkeerde, een bleke, schrikkerige moeder ernaast en al dat verkeer dat aan de verkeerde kant reed. We hielden ons maar gedeisd en in die gespannen stilte viel bij mij het kwartje: van de verkeerde kant… Albert Mol was gewoon een Brit! Ik heb dat serieus echt lang gedacht. Zeker toen de tweede “van-de verkeerde-kantman” via de televisie zijn intrede deed in mijn jeugdige leventje: de in Nederland bekende Engelsman Barry Stevens. Aan hem kon ik het nog horen ook, dat-ie van de verkeerde kant was. Die Albert Mol sprak in mijn ogen gewoon heel goed, echt accentloos Nederlands. Alles was mij toen duidelijk. 

Toen Tokke een jaar of 7 was, vroeg hij naar aanleiding van een bezoekje van een bevriend stel: 'Zijn zij eigenlijk broers of zo?' Ik legde hem uit dat ze een koppel waren. Net als papa en ik. Net als ik vroeger had gedaan, interpreteerde hij dat ook meteen binnen zijn eigen 7-jarige referentiekader: 'Dus het zijn twee papa’s zonder een kind?' Want koppels bestonden in zijn ogen waarschijnlijk als faciliterende units die kinderen voorzagen van alles wat ze nodig hadden. 'Nee, Tokke, ze zijn bij elkaar omdat ze verliefd zijn.' Dat was voor hem meteen een stuk duidelijker: 'O, net als opa en oma, die vinden elkaar ook lief en hebben ook geen kinderen…'

'Voor hem bestond er geen negatieve associatie, homo was gewoon een naam voor iets dat zijn broer toevallig was'

Voor mijn derde en vierde kind is de term homo iets waar ze altijd mee opgegroeid zijn. Toen zij klein waren was Tokke al uit de kast. Je zou denken dat het voor hen dus allemaal klip en klaar was. Toen Es 7 jaar was en met zijn vriendjes op het veldje aan het voetballen was, liepen zij schijnbaar wat grotere jongens in de weg. Die begonnen de ‘lastige’ kleintjes wat te klieren en riepen tegen hem: 'Ach homo, flikker toch een eind op.' Mijn kleine Es antwoordde: 'Ik ben geen homo, dat is mijn broer.' 'Haha is je broer een stomme homo?' 'Nee, een heel lieve.' Voor Es was het toen nog niet duidelijk dat homo soms geroepen wordt als scheldwoord. Er bestond voor hem geen negatieve associatie, homo was gewoon een naam voor iets dat zijn broer toevallig was.

Es vertelde 's avonds onbevangen aan tafel het verhaal en ontroerde daarmee Tokke. 'Weet je, mam, die kleine heeft gelijk. Het is geen scheldwoord en zo ga ik het ook niet meer opvatten.' En hij voegde een tijdje later de daad bij het woord op de middelbare school waar hij destijds nog zat. Toen een jongen in de gang in het voorbijgaan naar hem siste: 'Vieze homo', draaide Tokke zich om en zei: 'Homo klopt. Vies niet, ik heb vanmorgen gedoucht!'

Ik ben natuurlijk tegen welke vorm van schelden ook, maar ik ben retetrots dat Tokke deze manier heeft gevonden om domme mensen op een intelligente manier van repliek te dienen!