Het is voor het eerst dat kinderen van 9 t/m 12 zelf zijn ondervraagd over onderwerpen rond seksualiteit. Aan het onderzoek werkten 1000 kinderen mee, samen met hun ouders. ‘Kinderen komen tegen het einde van de basisschool in de puberteit, worden verliefd en komen in aanraking met seksueel getinte beelden in de media. Daarom is het belangrijk dat er thuis en op de basisschool al uitgebreid aandacht is voor deze onderwerpen’, aldus directeur Ton Coenen van Rutgers. ‘Onderzoek uit 2011 laat zien dat lessen over deze thema’s bijdragen aan de seksuele weerbaarheid van kinderen.’

‘Seksuele diversiteit maakt sinds 2012 deel uit van de kerndoelen voor het basisonderwijs’

Uit het onderzoek blijkt onder andere dat kinderen onderscheid maken tussen zoenende hetero- en homokoppels. Waar slechts 2 procent een probleem heeft met een zoenend heterokoppel, heeft 16 procent een probleem met twee zoenende meisjes en 20 procent met twee zoenende jongens. Positief is wel dat een grote meerderheid van de kinderen het afkeurt wanneer iemand wordt uitgescholden voor 'homo'. 

Rutgers concludeert dat er nog te veel kinderen zijn die niet over verliefdheid, relaties en puberteit praten. Ton Coenen vindt dat zorgwekkend. 'Als ouders er niet met hun kinderen over praten, blijft de school de belangrijkste plek. Wij roepen scholen en ouders op om hier samen mee aan de slag te gaan. Scholen kunnen ouders ondersteunen bij de seksuele opvoeding door bijvoorbeeld ouderavonden te organiseren. Dit onderzoek bevestigt de noodzaak.' In Nederland is seksualiteit en seksuele diversiteit sinds 2012 opgenomen in de kerndoelen voor het basisonderwijs. Scholen zijn vrij om hier zelf invulling aan te geven. 

De samenvatting van het onderzoek van Rutgers vind je hier.

Coverbeeld: CC-Lucélia Ribeiro