Ik ben opgegroeid in Monster, een klein dorpje in het Westland. Mijn moeder werkte in de zorg en mijn vader zorgde dat de koninklijke familie waar dan ook ter wereld veilig over straat kon. Vroeger liep ik samen met mijn zus en broer door het dorp, naar onze basisschool. Een groep jongens had het altijd op ons gemunt en zo werden wij geregeld achternagezeten. Er werd geduwd, er werden lelijke dingen geroepen, maar ik heb er nooit een blauw oog van over gehouden. 

Mijn ouders, en vooral mijn vader, waren deze pesterijen op een dag behoorlijk beu. Uit liefde voor hun kinderen ondernamen zij actie. Mijn pa besloot om ons naar school te volgen, waar hij ons vroeg de pestkop van de groep aan te wijzen. Mijn zus, die altijd zeer trouw is aan mijn ouders (tot op de dag van vandaag), gaf hier gehoor aan. Mijn vader verkocht de pestkop een paar stevige meppen totdat mijn broer riep dat dit niet de juiste jongen was. Mijn zus had zich vergist. Toch voelde ik me trots, keek ik op naar mijn pa. Sowieso ben je als kleine jongen trots op je pa (als die er voor je is), zeker wanneer hij politieagent is. Regelmatig pronkte hij, vlak voor het bidden, met zijn enorme spierballen. Ellebogen op tafel en de spierballen laten rollen. Je kent het wel. Van politieagent klom hij op tot een baan waar hij alles nauw meemaakte in de gouden kooi van de Oranjes. God, wat was ik trots op die man. Ik heb er destijds ook aardig mee op lopen scheppen.

‘Mijn ouders hebben een verlangen om bij God te zijn. Daar past geen tv bij. Of uitgaan. Of homoseksualiteit’

Toen ik jong was, was de kerk niet de nummer één voor mijn ouders. In mijn tienerjaren zijn ze echter meer en meer ‘zwaarder van kerk’ geworden. Daar is het misgegaan. De tv ging de deur uit en het zwarte pak kwam naar binnen. Wij gingen als kinderen mee naar de gereformeerde gemeente, de kerk waar mijn ouders nu reeds vijftien jaar lid van zijn en waar ik op het kerkorgel aardig wat valse noten heb gespeeld. De kerk waarin mijn vader nu ouderling is geworden.  

Tien jaar geleden vertelde ik mijn ouders dat ik homo was. Tien jaar geleden veranderde mijn wereld en daarmee ook de relatie met mijn ouders. Ik heb hier vaker over geschreven. Ze vonden het moeilijk dat ik afscheid nam van de kerk. Zij vonden het moeilijk dat ik op jongens viel. Voor hen begon een periode van balanceren. Een weg zoeken waarin zij hun geloof konden combineren met de omgang met een zoon die homo is. Uiteindelijk is dit niet gelukt en kreeg de kerk voorrang. Het leven wat ik heb is niet te accepteren voor mijn ouders. 

Ik zeg niet dat in de jaren de liefde voor hun kinderen minder is geworden, maar er is wel iets veranderd. De liefde voor God gaat bij mijn ouders boven de liefde voor hun kinderen. Je moet je indenken dat mijn ouders zo gelovig zijn dat zij hun gehele leven inrichten rond de kerk. Zij hebben een verlangen om bij God te zijn en daar past geen tv bij. Of uitgaan. Of homoseksualiteit. Ik kan dit verlangen naar God niet begrijpen. Ik begrijp niet dat je je kinderen op de tweede plek kunt zetten. De kinderen die je vroeger beschermde. De kinderen die je op de wereld hebt gezet en met liefde hebt opgevoed. 

‘Ik vraag me af waar de bijbelse passage “eert uw kinderen, wat zij ook zullen zijn of worden” is gebleven’ 

Ik zou zo graag liefde ontvangen van de politieagent waar ik vroeger naar opkeek. Zonder concessies. Geaccepteerd worden om wie of wat ik ben. Zonder te horen te krijgen dat je naar de hel gaat. Die uitspraken hebben bij mij veel littekens opgeleverd. Het bijbelse ‘eert uw vader en uw moeder’ staat bij mij hoog in het vaandel, maar ik vraag mij altijd af waar de passage 'eert uw kinderen, wat zij ook zullen zijn of worden’ is gebleven. Nee, acceptatie, voor wie of wat je ook bent, heeft nog een heel lange weg te gaan. 

Voor nu heb ik er vrede mee dat er geen contact met mijn ouders meer is. Er is rust. Er is zo lang strijd geweest. Ik heb zoveel uitspraken over zonden en de hel aangehoord. Nu wil ik mijn liefde geven aan de mensen om mij heen. Aan mijn vrienden bijvoorbeeld, die mij helpen door dik en dun en altijd tijd maken om mijn gezeur aan te horen. Of aan mijn broer, waar ik ontzettend veel van hou en die ik veel te weinig zie. Maar zeker ook aan mijn knappe Franse vriend. Mon Dieu, wat hou ik van je jongen en wat maak ik er soms een zooitje van. Je suis désolé, mon amour.

Geloof ik? Ja, ik geloof. Ik geloof dat echte liefde altijd overwint!

Foto: Peter van der Wal