Maar het moment dat ik de dubbele deuren opende en het prachtige gebouw op de Prinsengracht binnenstapte, was het alsof er een jarenlange last van m’n schouders viel.

Eindelijk onbezorgd samenkomen zonder angst voor veroordeling, zonder impliciete meewarige blikken (behalve dan dat sommigen me herkenden), zonder het gevoel een tweederangskerkganger te zijn, de met moeite gedoogde ‘zondaar in het midden’, de alien, de outcast, zonder geheim.

'Ik kreeg een cultuurshock. Ook ik had blijkbaar vooroordelen'

De dienst was prachtig. Een redelijk bekende en vooral erg goede zangeres in christelijk Nederland verzorgde de voorzang en de (voornamelijk mannelijke) gelovigen vielen luid in. Hun diepe krachtige stemmen voerden me mee, terug naar de kerk van mijn ouders. Dezelfde liturgie, dezelfde psalmen voor nu, dezelfde sobere toewijding, dezelfde rituelen, dezelfde Bijbel, dezelfde inhoudelijke preek, dezelfde hartelijkheid, maar dan eindelijk met die hemelse vrijheid. Inclusief, aanvaard, begrepen. Ik die helemaal ik mag zijn. 

Ik kreeg een cultuurshock. Ook ik had blijkbaar vooroordelen, bang voor boze roze hostie-eters, of een volgend roze paradepaardje, homo’s die denken halfserieus kerkje te spelen met vooral veel woede en venijn naar de religieuze instituten die hen ooit hebben uitgekotst.

Maar de viering ging niet om oud zeer, roze driehoeken en regenboogvlaggen. Ze draaide slechts om God. Onze Maker die ruimdenkender is dan de bekrompenheid van Zijn gelovigen, onze schepper die eindeloos creatiever en diverser is dan de hokjesgeest van Haar schepselen, de God die daar, waar mijn ouders mij niet kunnen aanvaarden, mij altijd weer Zijn kind noemt. 

Foto: Mgr. Madhatter