Naast mij staat mijn broer. Hij kijkt tevreden. Vast trots dat hij de steile piste zojuist heeft overwonnen, waarbij hij zijn zusje een flinke gil heeft kunnen ontlokken door haar af te snijden. Hoewel hij exact dezelfde kledingstukken draagt als ik, steekt hij behoorlijk bij mij af: alles is blauw, inclusief helblauwe fluorescerende sunblock op zijn wangen. Hij heeft zijn arm beschermend over mijn schouder liggen; zijn zus lastigvallen is een recht dat alleen hem toekomt.

‘Zelfs het plafond van mijn eerste studentenkamer werd blauw. Ik vond het schitterend’

Hoewel mijn moeder echt haar best heeft gedaan – ook mijn kinderkamer was van top tot teen roze (oudroze welteverstaan, dat was ‘chiquer’) – heb ik een gruwelijke hekel gekregen aan de kleur roze. Ik wist niet hoe gauw ik mijn eerste studentenkamer in mijn favoriete kleur moest schilderen. Zelfs het plafond werd blauw. Ik vond het schitterend. Toen mijn vader mijn schimmelige zolderkamertje in Tilburg kwam bekijken, waren zijn eerste woorden: ‘O, Sanne wat erg! Heeft de vorige bewoner dit zó achtergelaten?’ Toen ik daarop antwoordde dat ik er net vier dagen noeste arbeid op had zitten om alles Aqua Atlantic Blue te krijgen, werd het ongemakkelijk stil.

Dat wil echter niet gelijk zeggen dat ik een tomboy ben. Ik hou van nagellak, oogschaduw, glitters en nog meer glitters. Bij ieder festival of buurtfeest sta ik vooraan in de rij om mij te laten schminken. Het levert af en toe aardig ongemakkelijke situaties op, wanneer ik de leeftijd van de rij flink omhoog trek. Als aan het einde van een festival mijn maquillage van mijn glitters tot mijn tenen zit, vind ik dat geen drama. Glitters: the more the merrier

Make-uptutorials volg ik niet, noch streef ik de natural beauty look na. Ik weet ook niet precies ‘hoe het hoort’, dat make-uppen. Ik weet alleen dat ik het leuk vind. Ik interesseer mij niet in de randjes waarbinnen mijn nagellak zou moeten zitten, ik word blij van de glimmende lak díe erop zit. Voor een feestje met als thema ‘queer’ tekende ik ooit mijn hele gezicht vol zwarte q’s: grote en kleine. Vooraan in de rij zei een vriend tegen me: ‘Sanne, je weet toch wel dat je het streepje van de q aan de verkeerde kant hebt gezet?’ ‘Tuurlijk,’ zei ik haperend, ‘lekker queer toch?’ Ik zeg het je, spiegels zijn niet te vertrouwen.

‘Welke ruimte heb ik op mijn gender zelf in te vullen, en wanneer neem ik te veel ruimte?’

Als ik al een voorbeeld voor ogen heb wanneer ik me opmaak, dan zijn het fenomenale dragqueens als Jennifer Hopelezz en Miss Windy Mills. Extravagante powervrouwen, die niet bang zijn om op te vallen. Echter erkent de buitenwereld mijn inner drag niet, zij zien veel eerder: vrouw, make-up, lang haar, nagellak. ‘Draag jij nooit hakken?’, wordt er dan weleens gevraagd.

Wie bepaalt eigenlijk hoe ik eruit moet zien? En waarom worden die regels altijd gekoppeld aan mijn gender? Wie bepaalt tot welke gender ik behoor, en naar welke gender ik mij gedraag? Welke ruimte heb ik om dat zelf in te vullen? Wanneer ga ik te ver en behoor ik niet meer tot mijn oorspronkelijke gender? Krijg ik meer ruimte wanneer ik mij net als mijn vriendin niet opmaak, mijn haar kort knip en mannenkleding draag? En als ik dat doe, zal er dan nog iemand vragen waarom ik geen hakken draag?

Het moeten opgeven van mijn geliefde glitters is mij echter een te groot offer. En van kort haar krijg ik heus een raar hoofd. Of nou ja, mijn hoofd ís raar, maar mijn haar verbloemt dat nu… hopelijk. 

Veel vragen, weinig antwoorden: wordt vervolgd.

Foto: Monseigneur Madhatter