Een gevoel van onbehagen bekruipt me. Nou ja, noem het eigenlijk maar gerust blinde paniek. Waar ik mijn dagen voorheen indeelde met onbekommerd genieten en lang leve de lol, probeer ik sinds een halfjaar krampachtig de klok stil te zetten. Er is een race ontstaan tegen diezelfde klok, om nog zoveel mogelijk in orde te maken voor ik de eindstreep bereik. Nu moet ik volwassen worden. Nu moet ik mijn leven zin gaan geven. Het moment is daar.

De alcohol heb ik volledig aan de kant geschoven. Het uitgaan ook. Een gin-tonic bestel ik alleen nog zonder de gin, en eigenlijk alleen nog maar in literflessen bij de Albert Heijn om de hoek. Ik heb iedereen die mij kent versteld doen staan door de sportschool te ontdekken. Niet één of twee, maar drie keer in de week, om zo snel mogelijk dat gespierde lichaam te krijgen.

Ik heb geen tijd meer. Alles wat moet, moet nu. Voor het te laat is. Soms vul ik mijn weken met tot in de puntjes georganiseerde to-dolijsten, gerangschikt op dag en urgentie, verdeeld in prioriteit A, B, of C. Het is geen uitzondering wanneer ik op maandag al weet dat ik volgende week dinsdag van 19:10 tot 19:35 uur mijn was uit de droger moet halen, terwijl het zorgvuldig geplande avondmaal vast lekker staat te pruttelen op het fornuis.

‘Ja, ik vergeleek 30 worden zojuist met sterven, want zo voelt dat nu even’

Soms laat ik alles juist een hele week voor wat het is. Me-time. Helemaal zen. Geen plannen. Ik raak mijn telefoon uren achter elkaar niet aan – om de volgende ochtend te laat het huis te verlaten omdat ik alle gemiste posts in mijn tijdlijn alsnog ben afgegaan. Op weg naar werk stop ik in zo’n week op elke hoek van de Prinsengracht voor een paar seconden bewustzijn – en natuurlijk een bewijsfoto op Instagram met het juiste filter en de juiste hashtags. Ik zoek spontaan een oud klasgenootje van groep 6 op Facebook op en vraag hem wat hij/zij zoal in het leven uitvoert – in de hoop de bevestiging te krijgen dat ik het op mijn leeftijd toch echt zo slecht nog niet doe.
Uiteindelijk plof ik om 21:00 uur op bed. Niet om te slapen, maar om drie uur mijn gedachten te analyseren in de hoop te ontdekken wat ik nu echt wil in het leven. De rust, reinheid en regelmaat die mijn moeder vroeger altijd aan dovemansoren verkondigde, voeren nu zodanig de boventoon dat ze elke seconde van mijn wakkere bestaan innemen.

En dan de nesteldrang. Als ik een vrouw was geweest, waren mijn eierstokken inmiddels al uit mijn lichaam geklapperd. Bij elke baby die ik tegenkom denk ik aan de jaren die een adoptieprocedure inneemt en begin ik te tellen. Als ik dit jaar de juiste man tegenkom en we binnen een jaar gaan samenwonen, kunnen we over twee jaar beginnen aan de procedure en dan ben ik ongeveer die leeftijd wanneer we het kind krijgen. Maar dan moet ik daar wel nú werk van maken en dus nú die juiste man tegen het lijf lopen. Maar waar is hij? Waar blijft hij dan toch? Waar ben je? Straks ben je te laat! Hartkloppingen en slapeloze nachten zijn het gevolg.

Ik moet nog zoveel. Ik wil nog zoveel. En die twee botsen maar al te vaak met elkaar. Het voelt alsof iemand op 27 februari de stekker zal trekken uit de beademing van mijn terminaal zieke jonge lijf en geest. Dan ben ik oud. En ja, dat vergeleek ik zojuist met sterven, want zo voelt dat nu even. Daarna zal het allemaal wel weer prima gaan. Dan zal ik me waarschijnlijk weer voelen als een jong blad. Nieuw leven zal door mijn aderen stromen. Vanaf dan ben ik oud, maar wel de jongste van alle ouderen. O, wat verlang ik naar 28 februari. Wanneer ik niet meer bijna 30 ben, maar net 30.

Foto: Monseigneur Madhatter