Geloof gaat vaak slecht samen met homoseksualiteit, aldus de algemene opinie. Sla er de kranten op na en ik durf te wedden dat het zelden om een positief geladen artikel zal gaan wanneer beide woorden samen in één kop staan. Beelden van IS-strijders die homo’s uit naam van de islam van hoge gebouwen gooien, of hele dorpen met vrouwen en kinderen laten uitrukken om ze met stenen te bekogelen zijn er in overvloed. Vaak worden de verzen van Lot, gepaard met de daad, voorgedragen. De eeuwenoude verzen, die in zowel de Koran als de Bijbel te vinden zijn. Want laten we eerlijk zijn, zoveel lijkt de opvatting over homoseksualiteit binnen religies niet van elkaar te verschillen. Of we nu weggepest worden uit de Utrechtse wijk Leidsche Rijn, of gemarteld worden in een woestijn in het Midden-Oosten, het achterliggende idee blijft hetzelfde. Homoseksualiteit lijkt niet welkom binnen het geloof. En dat vind ik jammer.

‘Ik kan als geen ander een condoom om een banaan doen, maar mis het geloof in mijn leven’

Ik ben atheïstisch opgevoed. Alles wat ook maar iets met het geloof te maken had, werd bij mijn zusje en mij ver uit de buurt gehouden. De kerkgangers die op zondag met zwarte hoeden door het dorp trokken, werden ‘refo’s’ genoemd, en ik volgde op de basisschool drie jaar achter elkaar seksuele voorlichting, enkel om het andere keuzevak, godsdienstige vorming, te vermijden. Je zou kunnen zeggen dat ik op jonge leeftijd al een expert was. En toch vind ik ook dat jammer. Niet het feit dat ik nu als geen ander een condoom om een banaan kan doen, maar wel het gemis van het geloof in mijn leven.

Toen ik, met mijn dertigste levensjaar om de hoek, een bezoek bracht aan Algerije, werd dat gemis me nog eens extra duidelijk. De mensen daar ademden de islam. Met trots werd ik dan ook meegenomen naar de moskee waar ik de avonddienst bij mocht wonen. Het was werkelijk een eer om te mogen zien hoe al deze mensen vol passie en overgave uiting gaven aan hun geloof. Na afloop mocht ik in gesprek met een aantal imams. Ze vertelden me tot diep in de nacht over de Heilige Koran en de islam, terwijl we mierzoete thee dronken en de lekkerste vijgen aten. Plots keek een van de wijze mannen me doordringend aan en vroeg: ‘Geloof jij eigenlijk?’ Ik viel stil. Christelijk of katholiek ben ik niet, en moslim kon ik mezelf na één bezoek aan de moskee nu ook niet bepaald noemen. Even twijfelde ik, maar toen antwoordde ik: ‘Ik geloof in mezelf.’ De uitspraak voelde daar in dat verre islamitische land, omringd door geleerde imams, holler dan ooit tevoren. Een leegte vulde mijn hart. Een gemis. Was dit dan misschien de reden dat ik al geruime tijd op zoek was naar meer zingeving in mijn leven? Is geloof wat er mist in mijn bestaan?

‘Aan een beetje menselijkheid komt geen God te pas. Of toch juist wel?’

Een van de vrienden die ik maakte tijdens mijn reis, bezocht een paar maanden later Amsterdam. We zaten laat op de avond nog aan een koffie in de buurt van het Concertgebouw. Hij vertelde me enthousiast over alles wat hij had gezien. Van de Nachtwacht in het Rijksmuseum tot de molens bij de Zaanse Schans. Alles passeerde de revue, tot de vriend ineens een korte stilte liet vallen. Hij vervolgde in zijn beste gebrekkige Engels: ‘Maar er zijn hier bijna geen kerken. En de kerken die ik zag waren oud en leeg. Waar geloven jullie eigenlijk in?’ Ik liet de vraag even tot me doordringen. Van alle Nederlanders die deze vraag zouden kunnen beantwoorden, was ik misschien wel het minst geschikt. Even voelde ik de leegte terugkomen. Dezelfde leegte die ik ook in Algerije gevoeld had bij deze vraag. Maar toen dacht ik ineens aan het liedje van Boudewijn de Groot en antwoordde ik volmondig: “Ik geloof. Ik geloof in jou en mij.” Want juist aan een beetje menselijkheid komt geen God te pas. Of toch juist wel?

Foto: Monseigneur Madhatter