Willem de Wit wordt in 1959 geboren in het Gelderse Nijkerk. Hij is enig kind en al op jonge leeftijd rust er een zware last op zijn schouders. ‘Eigenlijk was ik mantelzorger, al heette dat vroeger niet zo’, vertelt Willem. Zijn vader was als Joodse man gedeporteerd in de Tweede Wereldoorlog en hield daar een oorlogstrauma aan over. 'Hij was onherstelbaar beschadigd en dat heeft later tot veel narigheid geleid. Van die trauma's heb ik als kind niet veel meekregen, maar wel van de manifestatie ervan.'

Willem is pas zes jaar wanneer zijn vader als gevolg van een hersenbloeding en hartinfarct zijn spraak, gehoor en zicht verliest en in een rolstoel belandt. 'In de oorlog werd hij tewerkgesteld in een gifgasfabriek, daardoor kreeg hij een kankergezwel dat bleef groeien en niet meer genas. Hij overleed daaraan toen ik achttien was. Ik zorgde voor hem, maar ik had geen enkele band met hem.’ Ook Willems moeder was ziek. Ze had ernstige diabetes en rekende zodoende ook op de helpende handen van haar zoon. ‘Eigenlijk ben ik altijd erg op mezelf geweest. Ik was zo’n kind dat zichzelf vermaakte en weinig vrienden had, omdat dat lastig was. Ik kon wel bij hen spelen, maar ze bij mij thuis uitnodigen was er niet bij. Daarom maakte ik al vrij snel de keuze om mezelf maar te vermaken. Ik was een puberend jongetje, dat van alles wilde en steeds rekening moest houden met zijn ouders, dat was soms wel zwaar.'

Iedere dag fietst Willem van Nijkerk naar zijn middelbare school in Amersfoort. Hij is dan dertien en begint zich bewust te worden van zijn seksualiteit. ‘Op een dag was mijn fiets naar de klote en het was een takke-eind om bij het station te komen, dus ik besloot te liften. Er stopte een man die me meenam in zijn Simca om vervolgens ergens te eindigen in een bosgebied aan de rand van Amersfoort. Daar ontdekte ik hoe alles in elkaar stak. Ik vond het heel spannend. Alles gebeurde met wederzijdse instemming, maar achteraf bezien denk ik: man, wat heb je toch een lef gehad. Niet ik, hij. Ik was pas dertien; het maakte hem eigenlijk pedofiel. Later heb ik me ook weleens afgevraagd of ik het met een pedofiel heb gedaan en hoe dat voor hem zou zijn geweest. Ik wist in ieder geval dat ik gay was en bedacht meteen hoe ik dat zou gaan aankleden.’

Willems moeder krijgt pas na het overlijden van haar man te horen dat haar zoon homo is. ‘Ik was heel vroeg volwassen en op mijn dertiende maakte ik al mijn eigen keuzes. Omdat ik geen band had met mijn vader, was het niet moeilijk om dit niet met hem te delen. Door zijn ziekte was het lastig in te schatten of hij de informatie begreep, of het zou landen en wat het emotioneel met hem zou doen. Wat had ik moeten zeggen? Dat het niks ging worden met die kleinkinderen, omdat ik hem liever ergens anders in prik? Dat vond ik te ver gaan. Al denk ik niet dat hij er een probleem mee had. Net als mijn moeder, die van kindsbeen af al dacht dat ik haar geen kleinkinderen zou bezorgen.'

'Ik werd in elkaar geslagen, maar de daders aangeven was geen optie. Dan zouden ze wraak nemen'

Ook al had zijn moeder altijd al het gevoel dat Willem niet met een meisje thuis zou komen – ze had er vrede mee – homoseksualiteit was toen niet normaal. Zeker niet in een boerendorp als Nijkerk. ‘Sony bracht indertijd een walkman uit en ik had me helemaal de pleuris gespaard om dat ding te kunnen kopen. Ik liep op straat met mijn koptelefoon op en werd klemgereden door jongens van de lagere school. In het portiek van een schoenenzaak werd ik door die schoolgenoten in elkaar geslagen. De eigenaresse van de schoenenwinkel hoorde dat, kwam naar beneden en flikkerde me in het halletje. Die walkman en mijn homo-zijn waren de aanleiding om me in elkaar te slaan. Een legitieme reden om aangifte te doen bij de politie, maar dat werd me afgeraden door oom agent. Hij zei dat de jongens wraak zouden nemen als ze veroordeeld werden. Toen besloot ik Nijkerk te verlaten.'

Hedonistische bende
Willem vertrekt op de bonnefooi naar de hoofdstad. Hij vindt een baan in de zorg, maar dat blijkt allesbehalve zijn roeping. Eigenlijk wil Willem naar de modeacademie, maar zijn ouders zijn te arm om de opleiding te kunnen betalen. ‘Ik hoefde geen ontwerper te worden, maar in een atelier werken was mijn droom. Toentertijd kon je zonder enig diploma in de zorg terecht, dus dat was een mooie manier om geld te verdienen.’

'Het ging helemaal niet om namen of telefoonnumers, je lag je gewoon suf te neuken in hotelkamers'

Amsterdam in de jaren 70 was een hedonistische bende, volgens Willem. ‘Het was overal zo druk dat je over de koppen kon lopen. De stad werd overspoeld met toeristen, vooral Amerikanen. Je lag je helemaal suf te neuken in hotelkamers en het ging helemaal niet om namen of telefoonnummers. Nee, ze kwamen om te naaien en gingen weer terug; dat was het zo’n beetje. Ik was een kind uit de klei toen ik in Amsterdam aankwam en wist amper een nichtenkroeg te vinden. Al snel werd me door generatiegenoten ingefluisterd hoe een en ander in z’n werk ging en ze vertelden me dat ik een route moest hebben.’

Het hoofdstedelijke homonachtleven speelde zich voornamelijk af in de Reguliersdwarsstraat, de Halve Maansteeg, op de Nieuwezijds Voorburgwal, de Warmoesstraat en je kon naar de nachtsauna in de Kerkstraat. ‘Je begon in de Monopole aan de Amstel, waar nu Queers zit. Daar kwamen alle types en kon je bepalen hoe je je door de nacht ging bewegen. Mijn generatiegenoten gingen vaak verder naar de Viking in de Reguliers of de DOK aan het Singel. De hele sleazy types gingen meteen door naar de Warmoesstraat, daar vond je de Argos, toen erg populair onder leernichten. Daar hing een aura omheen dat je de kleding van het lijf werd gerukt. Als je er een stap binnen zette, werd je op de biljarttafel gelegd.'

'Ik stond bekend als leernicht, dus dat ik op een hak ging was best een dingetje'

'Ik hoorde toen niet bij een scene, want ik stuiterde van kroeg naar hotelkamer in een poloshirtje, maar van lieverlee ben ik uiteindelijk als leernicht in de Warmoesstraat geëindigd. Eind jaren negentig was er een duidelijke scheiding tussen leernichten en drags. In het begin werd het me dan ook niet in dank afgenomen dat ik ineens besloot op een hak te gaan. Ik was een bekende leernicht, dus de geboorte van Dusty was best wel een dingetje. Ook de opmars van sport lads en gay skinheads vonden die ouwe leernichten moeilijk. Daar ging hun gevestigde instituut. De wereld verandert en dus ook de manier waarop mensen hun seksualiteit beleven. Voor mij was het geen probleem dat al die fetisjen zich met elkaar vermengden.

The Queen's Head
Dusty ziet voor het eerst het daglicht in de niet-commerciële 'potten- en flikkersdiscotheek' de Trut in 1997, maar het icoon is getogen in de legendarische Queen’s Head, door Willem zelf opgericht aan de Amsterdamse Zeedijk. In die tijd woont Willem met zijn toenmalige partner op de Prins Hendrikkade. Van hun buurman horen ze van het pand. ‘Op de plek waar nu nog altijd The Queen’s Head zit was een loungecafé, maar dat was mislukt. Volgens de buurt zat de nieges [plek waar een vloek op rust  –red.] op die tent en bovenin woonde Tante Trui, een icoon op de Zeedijk. Zij had de politie al heel vaak op die huurder z’n dak gestuurd, omdat hij harde muziek draaide. Dus het was al met al best een heuvel om te nemen. We zijn gaan kijken en het viel me gelijk op dat het een pijpenla was. Er zat een souterrain in met openslaande deuren en je kon letterlijk op de gracht kijken, dus ik was meteen verkocht. Als er ergens een kroeg moet komen, dan is dit de plek, was mijn gedachte.’

Willem en zijn ex-partner springen er blind in, met de zegen van Greet van Beeren [zus van Bet, eigenaresse van het Mandje: de eerste gaykroeg van Amsterdam – red.], maar vanaf de start in 1998 heeft Willem een duidelijk plan. ‘Het moest een kroeg worden gebaseerd op een pub, zoals ik die in Engeland had gezien. De vertrouwde huiskamer van je opoe, met de mogelijkheid tot entertainment. Gericht op de dertiger die zichzelf een beetje verloren begint te voelen in de keiharde massa van twintigjarigen die uit hun plaat gaan en naar je kijken met een blik van: "dat is toch dood, wat doet dat hier?" Ik ken het wel hoor. Ik stond vroeger ook in de DOK en dacht soms: wat doet die hier? Moet die niet aan de zuurstof?'

'Mijn personeel moest ook praten met de mensen die er niet neukbaar uitzagen'

Willem instrueerde zijn personeel altijd streng. 'Het is belangrijk dat je mensen het gevoel geeft dat ze er mogen zijn. Mijn personeel moest ook praten met degenen die er niet neukbaar uitzagen. Ze moesten plat gezegd tegen een tegel kunnen lullen. Ik wilde een café zijn waar je gezellig kon indrinken, want wij konden niet concurreren met bijvoorbeeld de Cockring of een disco. Bij ons nam je een pilsje om dan verder te kijken waar iets te doen was, maar veel mensen kwamen ook gewoon voor de gezelligheid. En ze kwamen voor Dusty.'

Iedere dinsdag draait Dusty aan het bingorad in The Queen’s Head. 'Het ging helemaal niet om die bingo, maar om de show eromheen.' Dusty zag het levenslicht, omdat Willem graag aan stand-upcomedy deed en ervan hield een publiek met grappen te entertainen. Zijn alter ego zoekt graag de grens op, mensen afzeiken zonder dat ze zich zo rot voelen dat ze meteen naar huis willen. ‘Als ik dat doe als Willem, ben je sneller op het punt dat mensen het niet leuk vinden, maar als personage heb je de vrijheid om de grens op te zoeken en de dingen te zeggen die normaal kwetsend kunnen zijn, want Dusty is nu eenmaal vals.’ Die humor heeft Willem van zijn Joodse vader. Zijn moeder was zwaar op de hand en een beetje weemoedig, zijn vader een levensgenieter. ‘Hij was ook van tralala en in de kroonluchter gaan hangen. Van de kroeg hield hij niet, maar van klaverjasclubjes wel. Dat was bij iemand thuis, maar dat werd dan ook een halve kroeg. Voordat het spel klaar was, moesten de veertien flessen jenever die in de huiskamer geparkeerd stonden allemaal leeg. Dat ad rem zijn en die humor, dat heb ik echt van hem.'

'Als iemand een valse bingo had, moest hij voor straf z'n lul laten zien'

'Al die talenten gebruikte ik als Dusty op dinsdag tijdens de bingo. De gesprekjes die ik met de mensen had als ze een volle kaart hadden, daar ging het om. Ik kan snel schakelen en reageren op wat mensen zeggen en daar dan een grapje over maken. Iedereen in de kroeg wachtte in spanning af wat er ging gebeuren. Als iemand een valse bingo had moest hij voor straf z’n lul laten zien. Deed hij dat niet, dan knipte ik zijn ondergoed aan stukken met een grote schaar. In al die jaren heb ik een hele sloot lullen gezien en altijd geroepen dat het me geen ruk uitmaakte hoe groot ze waren. We weten allemaal dat hij nog groeit. Er was nooit iemand die het niet deed. Het kon toen ook gewoon. De Zeedijk ligt tegen de Wallen aan geparkeerd, dus er hing ook een beetje een seksuele gloed om The Queen’s Head heen.' 

Eén gebeurtenis tijdens zo’n beroemde bingoavond is zo opmerkelijk dat zelfs Dusty niet wist hoe ze moest reageren. Samen met een bevriende Engelse dragqueen presenteerde ze een avond, waarbij een Aziatische toerist het hele gebeuren besloot te filmen met een videocamera. Toen iemand na een valse bingo naar voren moest komen om zijn broek te laten zakken, volgde er een hilarische scène. ‘Wat denk je dat die Aziatische jongen doet?! Hij ziet die gast met zijn broek op z’n enkels, duikt er al filmend naartoe, zakt door z'n knieën en begint hem oraal te bevredigen. Ik stond met mijn mond vol tanden. "Ga gerust een plas doen, dit kan nog wel even duren", riep ik tegen het publiek en ik stak nog een sigaretje op. Die avond vergeet ik nooit meer.’

In die tijd waren Willem, Dusty en The Queen’s Head wekelijks te zien in een realityserie van RTL4 over de Zeedijk. De zender zocht markante mensen, die er een kijkcijferhit van konden maken. Dertien weken lang was de serie op de buis en het hoogtepunt was de aflevering waarin Willem het iconische haar van Dusty ophaalt bij de maker in Engeland en laat dopen door Dolly Bellefleur. Willem en zijn alter ego worden bekende Nederlanders, die regelmatig aanschuiven in televisieprogramma’s, zoals de populaire talkshow van Catherine Keijl. Het maakte van The Queen’s Head een soort bedevaartsoord.

Mensen wilden de kroeg allemaal bezoeken en Willem of Dusty in levenden lijve zien. Willem: ‘Als je je in de docusoap zo sterk profileert dan moet je er ook iedere dag zijn. Jij bent het gezicht, dus zorg dat je er staat, hield ik mezelf steeds voor ogen. Op den duur ging het allemaal op de automatische piloot. Vijf jaar lang had ik alles gegeven wat ik kon en toen was het klaar. De kroeg liep en was onderdeel geworden van de gay identiteit van Amsterdam, dus ik vond het tijd dat andere mensen het stokje vol goede moed en met een frisse blik overnamen. Zo af en toe kom ik er nog, en omdat het je kind is gaat dat met heftige emoties gepaard. Het roept oude herinneringen op en een gevoel van nostalgie. De mensen na mij hebben er hun stinkende best voor gedaan om de kroeg te laten groeien tot wat het nu is en volgend jaar bestaat The Queen’s Head 20 jaar. Daar ben ik erg trots op.’

Foto: Roel Jansen

Verandering is goed
Willem steekt zijn mening niet onder stoelen of banken. Hij schudt graag de gevestigde orde op, maar het gebeurt ook dat hij na een periode van bezinning tot een ander inzicht komt. ‘Ik heb twee jaar lang lopen schoppen tegen Amsterdam Gay Pride, omdat ik dacht dat het vroeger allemaal beter was, maar dat was het helemaal niet. De allereerste Gay Pride waarbij we door de straten van Amsterdam liepen, kan ik me nog goed herinneren. Of de eerste Canal Parade, toen nog heel primitief en bevlogen. Toen trok er een vloot homo’s door de grachten, die riepen “Gays Forever”. In die periode bleef ik een beetje hangen, maar je moet als je in de vijftig bent niet blijven vasthouden aan de dingen die je als twintigr geweldig vond. Verandering is goed. Alle evenementen om de Canal Parade heen worden wel weer gefinancierd door een schuit met een Swarovski Panda. Daardoor is Amsterdam een plek waar mensen bij elkaar komen om te praten over issues waar we heden ten dage tegenaan lopen. We mogen wel weer meer op de barricaden, we moeten weer feller zijn. We lopen aan tegen een schijntolerantie, die langzaam verandert in het niet tolereren van onze community. Dat heb ik zien gebeuren vanaf de Gay Games in 1998, die het hoogtepunt waren van vrijheid en tolerantie. Alles kon en iedereen stond elkaar overal te bekken. Hand in hand lopen was gewoon de norm, maar die vrijheid is langzaam af gaan brokkelen. Als er iemand bij een snackbar op de Prins Hendrikkade in elkaar wordt geslagen, dan zit je toch wel in het hart van de stad. Dat beangstigt me, want dat betekent dat de intolerantie langzaam van de buitenranden van de stad richting het centrum is opgeschoven.'

'We mogen als community wel weer wat feller zijn, we lopen aan tegen schijntolerantie'

'Mijn leeftijdsgenoten en ik vonden dat we moest vechten voor meer tolerantie en toen dat gelukt was zijn de generaties na mij daar met veel plezier ingestapt. Maar nu worden er weer homo’s in elkaar geslagen en moeten we opnieuw achter het spandoek staan, omdat we het niet cadeau krijgen. Heel leuk, die openstelling van het huwelijk en de mogelijkheden voor adoptie, maar eigenlijk is het een soort surrogaat. We zullen ervoor moeten blijven vechten om geaccepteerd te worden. We kunnen wel vanaf de zijlijn roepen dat het allemaal anders moet, maar het is belangrijk om ook vaker tot actie over te gaan. Klik de datingapps weg en laat één keer per jaar snoeihard zien dat het nog niet zo goed gaat met LHBT-rechten in ons land en de wereld.’

Uit de as herrezen
Dusty is na de verkoop van The Queen’s Head in rook opgegaan. Letterlijk, want Willem verbrandde alle jurken en pruiken van zijn alter ego. Niets werd bij het oud vuil gezet, want dan zou iemand anders ineens met dat haar aan de haal kunnen gaan. ‘Ik was er zo klaar mee’, zegt Willem vastberaden. ‘Als je elke week een bingo staat te doen, dan gaat dat na vijf jaar een beetje op de automatische piloot. Je zet een knop om en zit weer in je rol, maar op een zeker punt stond ik af te tellen tot de bingo weer voorbij was. Dat gaan mensen zien, daar prikken ze doorheen en dat is niet goed. Daarom nam ik afscheid van Dusty en heeft ze tien jaar een sabbatical gehad.'

'Dat iconische haar is mijn signature look. Als je mijn schaduw ziet, moet je meteen weten dat het Dusty is'

'Ineens kreeg ik op Facebook allerlei verzoeken van fans. Ze wilden me terug, want ze misten de valsigheid van Dusty. Heel lang heb ik daarover nagedacht, maar het begon toch weer te kriebelen. Dusty herrees uit haar as en ik had eigenlijk niet verwacht dat ze weer de legendarische statuur zou krijgen die ik nu heb. Eerst droeg ik met veel plezier haarwerk van John Gravemaker, maar iemand had nog het adres waar mijn originele pruik vandaan kwam. Als je een schaduw op de muur ziet, moet je meteen weten dat het Dusty is. Dat iconische haar is mijn signature look, dus ben ik naar Engeland gegaan om een nieuwe pruik te laten maken. Waar andere queens veel wisselen met haar en make-up, heb ik gekozen voor herkenbaarheid. In mijn presentatie zit altijd een seksuele component en mijn look heeft een rauw randje. Ik ben 58, dus voor een heel grote groep mensen hoor ik thuis in het archeologisch museum tussen de mummies. Het aanschurken tegen die leeftijdsdiscriminatie vind ik nu wel een leuk item, want als je mijn leeftijd hebt, hoor je eigenlijk op een plat hakje de Libelle te lezen. Dan vind ik het heel erg grappig om mezelf helemaal in te snoeren, glad geschoren en strak te zijn en mensen te confronteren met twee tepelklemmen op half blote tieten. Dat provoceren zat altijd al in me, ook als man. Het is prachtig om grenzen te doorbreken en tegen heilige huisjes aan te schoppen. De optredens van Dusty zijn nu meer afgebakend, ik kruip niet meer iedere week in de huid van mijn alter ego en doe alleen de dingen die ik leuk vind.’ 

Willem heeft inmiddels vijftien jaar een monogame relatie en is erg gelukkig. Met Dusty heeft hij geen grote plannen meer, maar nog wel één wens. Vanaf het eerste moment droomt Dusty ervan om ambassadrice te zijn van Amsterdam Pride en hostess van een stage. ‘Het lijkt me heerlijk om dit evenement te mogen vertegenwoordigen en met een zee van mensen voor je artiesten op het podium aan te kondigen. Dat zou de parel zijn in mijn kroon.’

Tekst: Rik Alexander / Coverfoto: Michel Swart