"Hoe gebruiken jullie de koffie?" vraagt Frans, wanneer hij ons welkom heet in zijn appartement aan de Amsterdamse Lijnbaansgracht. De man die velen kennen als kunstexpert van het televisieprogramma Tussen Kunst en Kitsch snijdt een spekkoek aan. "Ik heb er ooit een keer zelf een gebakken, maar dat doe ik nooit weer. Ik wilde bewijzen dat ik het ook kon, maar het duurde wel anderhalf uur. Je bakt het laagje voor laagje, dus het moet steeds onder de grill."

Als je zijn woning binnenkomt, is het net alsof je een museum betreedt. Er komt een sereniteit over je heen, je hebt de neiging om je stemvolume te temperen en naar ieder meubelstuk te kijken alsof het kunst is. Dat is het ook. Toegepaste kunst, in de volksmond ook wel gebruikskunst genoemd. De bekende Rietveldstoel staat prominent in de woonkamer, maar we nemen plaats op een gemakkelijke fauteuil bij een immens raam met uitzicht op de gracht. Leidelmeijer: "Als de zon schijnt moet de zonwering naar beneden, anders verbleken de meubels."

De eigenlijke aanleiding voor ons bezoek aan Frans is een gesprek over het koloniale verleden van ons land en wat daarvan zichtbaar is in Amsterdam, maar al snel wordt het gesprek persoonlijk. "Hier kom ik nooit meer terug, dacht ik, toen ik als 9-jarige jongen Indonesië samen met mijn ouders en broers per schip verliet en het land steeds kleiner zag worden."

Leidelmeijer komt ter wereld in juli 1942 in Bandung, Indonesië, een land dat sinds januari dat jaar bezet is door Japan. Wanneer Frans geboren wordt, zit zijn vader vast in een interneringskamp, ook wel Jappenkamp genoemd. "Van de oorlog zelf kan ik me niet veel meer herinneren. Ik was drie toen die was afgelopen. Wat ik wel weet, is dat we na de oorlog – hoe tegenstrijdig – een tijdje in een kamp hebben gezeten om door dezelfde Japanners beschermd te worden tegen de vrijheidsstrijders die van Indonesië een onafhankelijk land wilden maken."

"Tijdens het vadertje-moedertje spelen, wilde ik altijd de moeder zijn"

De Leidelmeijers waren Indische Nederlanders. Niet alleen op papier, ze voelden zich daadwerkelijk verbonden met de vroegere kolonisator. In het gezin wordt Nederlands gesproken, Frans en zijn broers krijgen een Hollandse opvoeding en ze gaan naar Nederlandse scholen. In 1951 besluit vader Leidelmeijer om samen met zijn gezin Indonesië te verlaten. Frans: "Mijn vader had promotie gemaakt op zijn werk, daar waren jaloerse Indonesiërs het niet mee eens. Ze stuurden dreigbrieven, waarin stond dat hij maar op moest rotten als hij geen Indonesiër wilde worden. Anders zouden ze ons, zijn kinderen, kidnappen."

Winterkleding in hartje zomer
Na een zeereis van zo’n zes weken zet Frans op 14 juli 1951 voet op Hollandse bodem. "Volgens mijn moeder was het in Nederland altijd koud, ook al scheen de zon. Daarom had ze in Bandung tweedehands winterkleding op de kop getikt. Het was hartje zomer die dag, het kwik steeg tot 30 graden. Ik weet nog dat we in de bus stapten naar het Limburgse Gulpen en dat ik tegen haar zei dat ik het veel te warm had met al die kleding aan."

Er bestaat in die tijd een scheiding tussen protestanten en katholieken. De protestanten gaan naar het noorden, de katholieken naar het zuiden. Zo ook het gezin Leidelmeijer, dat wordt opgevangen in Hotel Bergland in de Dorpsstraat. "De mensen in Gulpen vroegen al gauw hoe het mogelijk was dat we zo goed Nederlands spraken. We maakten hen wijs dat we aan boord van het schip een spoedcursus Nederlands hadden gevolgd. Ook vertelden de Gulpenaren ons dat ze weleens plaatjes hadden gezien van blote Indonesische vrouwen die hun kinderen de borst gaven. Ze dachten dat alle vrouwen uit Indonesië er zo bij liepen."

Wanneer de jonge Frans in het Zuid-Limburgse dorp voor het eerst van zijn leven sneeuw ziet, denkt hij dat er kapok – een soort katoen – uit de hemel valt. Lang blijven de repatrianten er niet. "Mijn vader zei: 'Wat moet je hier?'. Hij wilde naar Den Haag, waar de meeste Indo’s zaten en waar hij kon gaan werken op een ministerie. De meeste Indiërs zijn namelijk pennenlikkers met kantoorbaantjes. Al werden ze wel strak gehouden door de Nederlanders. Je werd ondergeschikte bij een onderneming of de overheid en veel kansen kreeg je niet. Al was er een Indo-Europeaan met meer kennis en ervaring voor een bepaalde functie, dan ging die baan toch aan zijn neus voorbij, omdat een Nederlander de voorkeur had."

De eerste tekenen
Na een jaar pakt het gezin hun biezen en via Noordwijk aan Zee nemen ze hun intrek in een contractpension in Scheveningen. Als Frans twaalf is gaan zijn ouders uit elkaar, en als hij zeventien is trekt hij bij z'n moeder in Den Haag in. Met haar heeft hij een bijzondere band. Al op jonge leeftijd kruipt hij bij z’n moeder in bed om haar haar te kappen. "Ik speelde niet met jongens en deed geen wilde spelletjes. In Indonesië had ik al poppen en dan zei mijn oma: ‘Hè, die jongen met die poppen, wat raar!"

Frans’ moeder kiest altijd partij voor haar zoon, ook later in Gulpen neemt ze het voor hem op. "Voor een Sinterklaasviering had ik op mijn verlanglijstje gezet dat ik graag een oventje wilde. Degenen die dat feest organiseerden vonden dat zo vreemd dat ze weigerden me het te geven. ‘Als hij een oventje wil, dan krijg hij een oventje!’ was het antwoord van moeder."

"Toen ik uit de kast kwam, was mijn moeder bang dat ik zou worden opgepakt"

Frans heeft al snel in de gaten dat de maatschappij niet zo tolerant is. Zijn poppen houdt hij zorgvuldig verborgen voor de buitenwereld, alleen bij hem thuis speelt hij samen met vriendinnetjes vadertje-moedertje. "Ik wilde altijd de moeder zijn, want ik vond het zo leuk om die poppen te kleden en met hun haren te spelen. Die vriendinnetjes beklaagden zich op den duur, omdat zij niet steeds de vader wilden zijn", vertelt Frans lachend. "Op een blauwe maandag wilde ik dameskapper of modeontwerper worden. Van die typische beroepen die homoseksuelen vaak uitoefenen."

In Indonesië, op de kleuterschool, kijkt Frans al naar jongens: "Als we gingen plassen, dan bekeek ik het plassertje van de jongen naast me. Dat vond ik interessant, maar ik besefte nog niet wat het betekende." Die bewustwording komt pas in Gulpen, waar hij klasgenoten leuk gaat vinden, maar echt verliefd op een jongen wordt hij pas op z'n zeventiende. "Toen ik in diezelfde periode uit de kast kwam, vond mijn moeder dat vreselijk voor mij. Ze was bang dat ik opgepakt zou worden door de politie. Ze herinnerde zich nog de heksenjacht op homo’s in Indonesië, onder aanvoering van de gouverneur-generaal. 'Je zoon is openlijk homoseksueel', zei ze tegen mijn vader toen ze hem belde. Toen hij dat hoorde moest ik van hem naar een opvoedingsgesticht, maar ik ben mooi niet gegaan."

We zitten nog in zijn woonkamer. De winter is in aantocht, maar ondanks de grauwe dag, baadt de ruimte in het licht dat door het gigantische raam binnenkomt. De spekkoek staat al een half uur onaangeroerd op tafel, omdat de verhalen elkaar in rap tempo opvolgen.


Frans met Bibi, zijn eerste zelfgekochte porseleinen pop.

Hofstad vs. hoofdstad
Op Den Haag raakt Frans uiteindelijk snel uitgekeken. "Als je ’s avonds na negenen over straat liep, zag je niemand. Het was een dooie stad en nadat ik ontdekt had homo te zijn, was het er ook niet spannend.’ Er waren wel bars voor homo’s, maar het gay leven speelde zich af in het geniep. Dat stond Frans zo tegen dat hij in 1964 besloot de hofstad te verruilen voor de hoofdstad, niet in de laatste plaats voor de levendige gayscene. ‘Ik was er al een paar keer geweest en had alles al geprobeerd; de scene was hier al heel ontwikkeld. Je had bars waar je zonder problemen naartoe kon. Bijvoorbeeld het DOK aan het Singel, dat was the place to be waar de hele wereld samenkwam. Amsterdam was in de jaren zestig en zeventig Gay Capital en had een grote aantrekkingskracht op beroemdheden. Ik had ooit sjans van een beroemde Amerikaanse zanger, Johnny Mathis. Daar heb ik niks mee gedaan, maar er ging wel een wereld voor me open!’

De kersverse hoofdstedeling neemt z’n intrek op een zolderkamertje op het Hoofddorpplein en gaat aan de slag als handelscorrespondent, maar wordt later op aanraden van een vriend psychiatrisch verpleger in de Valerius Kliniek. "Je weet dat psychiaters allemaal met zichzelf in de knoop zitten?" vraagt Frans ineens. "Ik was gedeprimeerd en dacht: misschien kom ik er zo wel achter wie ik ben en kan ik tegelijk mensen helpen."’ 

Zijn depressie ontstaat omdat de dan vijfentwintigjarige Frans geen vriend kan vinden. Avontuurtjes beleeft hij genoeg, vooral met Duitsers en Amerikanen, maar de ware zit er niet bij. "Nu heb je Grindr, maar indertijd gebeurde heel veel op straat. Je kon je prins op het witte paard tegenkomen in de openbare urinoirs, maar ook op de Leidsestraat. Als je daar liep had je zo sjans, zo heb ik mijn partner Daan ook leren kennen. We keken eerst voorzichtig naar elkaar via de etalageruit. Hij keek mij aan, ik keek hem aan, een schok en toen…"

"Als ik iets zie wat ik mooi vind, dan móét ik het hebben"

Frans is 27 wanneer hij de dan 25-jarige Daan van der Cingel leert kennen. Hij pakt zijn foto erbij: "Daan was groot, stevig en energiek, daar hield ik wel van. Bovendien vond ik hem zowel interessant als spannend." Het stel gaat naar Parijs, waar Frans voor het eerst de beroemde art nouveau metro-ingangen ziet. Hij vindt die zo mooi dat hij de stijl bij thuiskomst gaat bestuderen en regelmatig teruggaat naar de Franse hoofdstad om art nouveau-voorwerpen aan te schaffen. "'Waarom begin je geen winkel met alle spullen die we verzamelen?', vroeg Daan me op een gegeven moment." Gesteund door zijn vriend opent Frans De Santekraam in de Jordaan, waar hij in eerste instantie poppen, speelgoed, art deco en art nouveau verkoopt.

"In de Nieuwe Leliestraat, waar de winkel gevestigd was, hadden we helemaal geen aanloop, maar we zaten tegenover Special, hét restaurant waar je heen ging als je echt Indisch wilde eten. Omdat we achter de winkel woonden, hoorden we 's avonds vaak mensen die bij Special gegeten hadden vol bewondering naar de spullen in onze etalage kijken. De volgende dag kwamen ze dan terug om de lamp of vaas die ze mooi vonden te kopen. Al snel werden we ontdekt door verzamelaars van het eerste uur of mensen die nu bekend zijn als kunstenaar, zoals Jan Dibbets."

Frans' gezicht straalt bij het ophalen van deze herinneringen. De spekkoek staat nog steeds voor hem, hij gunt zichzelf amper een adempauze. "Als ik iets zie wat ik mooi vind, dan word ik onrustig. Dan móét ik het hebben. Heel vaak wist ik niet eens wat ik kocht en kwam ik er pas later achter dat het een belangrijk stuk was met meer waarde dan de 5 of 10 gulden die ik ervoor betaald had op een rommelmarkt. Ik heb er oog voor, noem het fingerspitzengefühl." In eerste instantie werden de spullen door zijn klanten gekocht omdat ze die mooi vonden, later werden ze aangeschaft omdat men dacht: wat Frans verkoopt is goed.

Hij wordt een autoriteit op het gebied van art deco en art nouveau en komt door Gerrit Komrij in aanraking met de Nederlandse stijlen. "Regelmatig kwamen we bij hem over de vloer, hij had zijn woning ingericht met allerlei meubels in Amsterdamse School-stijl. Dat werd nog erg ondergewaardeerd. Toen ik ermee begon, zeiden mensen tegen me dat ik in die kitsch dingen deed. Nog niet op de juiste waarde geschat werd het zo bij het vuilnis gezet."

Na een jaar besluiten Frans en Daan te verhuizen naar het Spiegelkwartier. Eerst naar de Lange Leidsedwarsstraat en later openen ze een winkel in de Nieuwe Spiegelstraat, waar op dat moment alle toonaangevende kunsthandels en galeries zitten. Daan stopt met zijn werk als hoofd van een computerafdeling om zich volledig toe te leggen op de zaak. Ziel en motor, worden de twee genoemd. Daan is de motor, doet de administratie en durft risico’s te nemen, terwijl Frans de lijnen uitzet en bepaalt wat er gekocht wordt. Als Frans twijfelde, zei z’n partner: "Als je het wilt hebben, dan koop je ’t." In 1983 doet het duo het eerst onderzoek naar Nederlandse decoratieve kunst tussen 1880 en 1940, waarover ze een boek schrijven dat ze in alle belangrijke musea in Nederland, maar ook in de Verenigde Staten aan de man brengen. Ze worden een autoriteit in hun vakgebied en verkopen kunstvoorwerpen aan alle toonaangevende musea in de wereld.


Frans met een foto van zijn overleden partner, Daan van der Cingel.

Een zware tijd
Frans en Daan zijn ruim twintig jaar samen als Daan in 1989 overlijdt aan de gevolgen van aids. Het was een hectische en emotioneel zware periode, waarin Frans bleef werken en zijn vriend verpleegde tot die op het laatst niet meer verder wilde.

De ziel was de motor kwijt, maar werd niet stuurloos achtergelaten. Vanaf het moment dat Daan wist dat hij hiv had, zorgde hij ervoor dat z’n partner goed achterbleef. "Hij leerde me de boekhouding doen en belde een rijschool, omdat hij vond dat ik mijn rijbewijs moest halen. Toen ik geslaagd was hing de vlag thuis uit." Frans is zichtbaar aangedaan. "Daan zei tegen me dat ik er toch mee op kon houden om van m’n geld te gaan leven, maar ik was pas zesenveertig, veel te jong om te stoppen. Daarna is het eigenlijk nóg beter geworden, want ik werd gevraagd als gastconservator van het Stedelijk Museum en begon in 1990 als expert in het televisieprogramma Tussen Kunst en Kitsch. Het leuke van dat programma was het onverwachte. Er komt eerst een heleboel meegebrachte rotzooi uit Albert Heijn-tasjes tevoorschijn. Heel lelijke, vreselijke dingen. Er waren vaak dagen dat het niks meer leek te worden, tot ineens iemand iets uit zo’n tas haalde dat ik kende uit de literatuur. Euforisch werd ik daarvan, het publiek thuis pikte dat op en genoot van mijn enthousiasme."

'In het echt is Brad Pitt niet zo knap als op het witte doek, hij heeft putjes in zijn wangen'

Frans' kunsthandel in de Nieuwe Spiegelstraat verwierf wereldfaam met een clientèle van nationale- internationale grootheden. Koningin Beatrix kwam hoogstpersoonlijk een cadeau uitzoeken voor een vriend en Dame Edna kocht er een kast die naar Australië verscheept moest worden. "Op een avond, net na sluitingstijd, klopten er twee breedgeschouderde mannen op de deur. Ik gebaarde vanuit de winkel dat ik gesloten was, maar ze bleven kloppen, terwijl ze wezen naar iemand die erbij stond, dus deed ik de deur open. Het bleken bodyguards te zijn die Brad Pitt vergezelden. Dat was in de tijd van de film Seven Years In Tibet en de acteur had een appartement in Amsterdam gehuurd. Op dat moment herkende ik hem niet, pas later realiseerde ik me wie hij was. De filmster is nog een paar keer teruggekomen. In het echt is hij trouwens niet zo mooi als op het witte doek, hij heeft putjes in zijn wangen.’

Ondanks zijn gerenommeerde handel voorziet de kunstexpert al in 2004 dat de markt terug zal gaan lopen. Pas in 2006 hakt hij na een soort afscheidsproces de knoop door. Hij stopt met de kunsthandel. Met pijn in zijn hart laat hij een deel van zijn collectie veilen door Christie’s. De veilingmeester weet de collectie voor meer dan een miljoen euro onder de hamer te brengen. Van de opbrengst kan Frans het appartement kopen, waar hij inmiddels tien jaar met veel plezier woont.

Via zijn levensverhaal komen we uiteindelijk toch nog terug bij de initiële aanleiding voor dit gesprek: het koloniale verleden van Nederland en wat je daarvan terugziet in Amsterdam. 

Een levende herinnering
"In de hoofdstad word je overal geconfronteerd met het verleden van ons land als grootmacht in de zeventiende eeuw", vertelt Frans. "De grachtengordel, die dit jaar bijna 18 miljoen toeristen trekt, prijkt op de Werelderfgoedlijst. Het is ons pronkstuk uit de Gouden Eeuw. De stadspaleizen en koopmanshuizen werden voornamelijk gebouwd met de vergaarde rijkdom uit de specerijenhandel. Specerijen die de VOC vergaarde in Nederlandse kolonie Indonesië."

"Als je Amsterdam Centraal uitloopt zie je, als je naar boven kijkt, een wandreliëf, met daarop een Javaan die een Nederlander begroet. Op het reliëf is de Javaan groter dan de Nederlander, dat is een flop. De opdrachtgevers wilden de Javaan kleiner hebben, maar de Vlaamse beeldhouwer deed het andersom. De Vlaming hield voet bij stuk en weigerde om het aan te passen. Als je vanuit het station naar links loopt kom je bij het Scheepvaarthuis, van waaruit Cornelis Houtman als eerste naar Indië voer. Daar werd de basis gelegd voor de VOC. De straten daar in de buurt verwijzen ook allemaal naar de Indische Archipel, zoals de Binnen Bantammerstraat. Het voormalige kantoor van de Nederlandse Handels Maatschappij, dat de meesten kennen als het Stadsarchief, is het meest Indische gebouw van Amsterdam. Het is nu bekend als de Bazel, maar werd na oplevering al snel de spekkoek genoemd. Bij de ingang wordt je begroet door twee vrouwen. Zij moeten Europa en Insulinde (Indonesië) voorstellen, kolonisator en gekoloniseerde, waarbij Indonesië blootsvoets is en zedig naar beneden kijkt met haar handen voor haar borst, terwijl Europa je recht aankijkt met wijdopen ogen en handen."

"Je moet het verleden niet wegpoetsen, maar erover praten"

Ook de sociale woningbouwprojecten uit het begin van de vorige eeuw, zoals het bekende Plan Zuid, zijn door arbeidersverenigingen gebouwd met geld dat door welgestelde Nederlanders vergaard werd in de voormalige kolonie, vertelt Leidelmeijer. "Overal om je heen zie je verwijzingen naar ons verleden en er gaan de laatste tijd stemmen op om een aantal van die verwijzingen te censureren. Mensen willen bijvoorbeeld de Coentunnel een andere naam geven of straatnamen veranderen die genoemd zijn naar zeehelden die toch ook een smet op hun blazoen hebben. Dat moet je nooit doen, want daarmee poets je het verleden weg. Je kunt er beter over praten en het hele verhaal vertellen."

"Het is belangrijk om de herinnering aan Indonesië levend te houden. Indo’s praten niet gemakkelijk over hun verleden, omdat er geen oor was voor hun verhaal nadat ze hier aankwamen. Ze kregen te horen dat ze, ook al hadden zij een oorlog meegemaakt, het altijd nog beter hadden gehad dan de Nederlanders. Zij hadden het tenminste warm en konden bananen van de bomen plukken, terwijl de Nederlanders de hongerwinter hadden meegemaakt. Het werd gebagatelliseerd, waardoor velen op den duur zwegen over wat ze hadden doorstaan."

Frans niet, hij schrijft een maandelijkse column voor het Indische maandblad Moesson en is gids voor de Gordel van de Smaragd, een Indische rondvaart door Amsterdam. "We hebben een subsidieaanvraag gedaan bij de Gemeente Amsterdam, omdat we graag een boekje willen uitbrengen over de rondvaart, maar ons verzoek is tot op heden niet gehonoreerd. Zodra een Surinamer voor zo’n initiatief een bijdrage aanvraagt, krijgt die het geld meteen, maar wij horen als Indische Nederlanders keer op keer dat we al geïntegreerd zijn en dat we het er dus maar niet meer over moeten hebben. Er wordt met twee maten gemeten, maar gelukkig wordt men zich er steeds meer van bewust dat ons koloniale tijdperk niet alleen maar groots was."

I will survive
De agenda van de man tegenover kent weinig lege plekken. Leidelmeijer geeft rondleidingen door Amsterdam over het koloniale verleden, hij is velingmeester en ambassedeur van het Venduehuis. Hij schrijft geeft lezingen en verkoopt kunst. Ook keert hij, sinds hij er in 1986 voor het eerst was sinds z'n vertrek, regelmatig terug naar zijn geboortestad Bandung. Toch voelt Frans zich weleens eenzaam, bijvoorbeeld als hij 's avonds alleen op de bank televisie kijkt. 

Na het overlijden van zijn partner is Frans niemand meer tegengekomen om zijn leven mee te delen, al zou hij er wel voor openstaan: "Degenen die mij willen, wil ik niet en als ik iemand leuk vind, dan wil hij mij niet. Dat schiet niet op. Ik ben niet kritisch, maar het moet wel mijn type zijn. Mijn ideale man is groot, mannelijk en stevig. Als hij rond de 50 is en er goed uitziet, ben ik tevreden, het mag ook een stratenmaker zijn. Als hij maar leuk is." Zijn single-zijn weerhoudt hem er ook van om op vakantie te gaan. "Ik kan overal heen als ik wil, maar in m’n eentje is dat gewoon niet leuk. Ach, je went eraan." 

"Meer dan tien jaar geleden besefte ik dat het leven eindig is, daar word ik onrustig van. Wat me op de been houdt is de wil om te overleven. Ik wil er niet aan onderdoor gaan, maar volgens mij zit dat in ieder mens. Natuurlijk heb ik geleden onder alles, maar wat moet je dan? Depressief worden? Nadat Daan overleed besloot ik mijn schouders eronder te zetten en gewoon verder te gaan."

"Weet je wanneer ik gelukkig ben? Als ik door Amsterdam fiets. Dan kijk ik om me heen en denk ik: wat een mooie stad en wat heb ik toch een vrijheid hier om mezelf te zijn."

Tekst: Rik Alexander / Fotografie: Jauke de Boer