Onlangs trouwde mijn oom met zijn vriend, nu zijn man. Een prachtige dag, waarop ik extra trots was op ons landje met huwelijksrechten voor iedereen. Het is iets geks met grote, katholieke families, ik weet niet precies wat, maar op dit feestje was er aan seksuele diversiteit duidelijk geen gebrek. Aangevuld met de nieuwe vriendin van mijn tante, Hilly, en veel vrienden van het bruidspaar, moest er ineens een ‘gay groepsfoto’ worden gemaakt. Ik had er weinig trek in en vond het eerder ongemakkelijk dan gezellig. Maar toen ik schoorvoetend aansloot, trok Hilly me bij mijn arm weer uit de groep en zei: ‘Nee, Paul. Dit is alleen voor de homo’s.’ De verbazing moet van mijn gezicht hebben gedropen, want ik hoefde haar niet lang aan te kijken voordat ze zei: ‘O, echt? Sorry.’

'Als je verkeerd gokt, zeg dan liever: "O, dat kan ook"'

Nadat we er hard om hadden gelachen – de foto was ineens iets waar ik uit protest juist graag op wilde – kwam Hilly nog even bijpraten. Ik was niet boos, ik vond het vooral grappig. Tot ze ineens zei: ‘Is toch eigenlijk ook een compliment, als mensen het niet zien?’ Daar ben ik het dan weer hartgrondig mee oneens.

Wat mij betreft is zo’n vergissing geen compliment, om de simpele reden dat homoseksualiteit niet minderwaardig is aan heteroseksualiteit. Dat het de norm is om hetero en cisgender te zijn, wil niet zeggen dat het mijn doel is om daaraan te voldoen. Beter is het natuurlijk om iemands seksualiteit niet te verbinden aan je verwachtingen, maar als je toch verkeerd gokt, zeg dan liever: ‘O, dat kan ook’. Daarmee laat je zien dat seksuele diversiteit gelijkwaardig is aan de norm. Toen mij ooit in de kroeg werd gevraagd of ik meer een borsten- of een billenman ben – ja, echt – heb ik vooral heel hard gelachen.

Als ik een voorlichtingsles geef, wil ik dat leerlingen nadenken over seksuele diversiteit en identiteit. Zodra een leerling durft te vragen of ik homo ben, betekent dit dat ze nieuwsgierig worden naar mijn geaardheid of identiteit. En dat mag, zolang ze hun vraag op een respectvolle manier stellen. Om zelfstandig nadenken te stimuleren, doe ik er daarom soms juist een schepje bovenop en laat ik een klas eerst raden. Je moet er stevig voor in je schoenen staan, want ieder cliché kun je dan verwachten. Maar de antwoorden zijn iedere keer weer anders.

'Als het vooroordeel overeenkomt, leg ik uit dat een cliché ook bestaansrecht heeft'

‘U bent denk ik homo, want u heeft een oorbel’ kreeg ik bijvoorbeeld een tijdje terug, van een leerling die zelf twee blingblingoorbellen droeg. ‘Wat zegt dat dan over jouw sierraden?’, vroeg ik hem.

Of: ‘Nee, hij is hetero, echt een beetje zo'n kantoortype.’ Ik kan daar heel hard om lachen en stel direct vragen terug zodra leerlingen met rare vooroordelen komen. Soms hebben ze het goed, soms ook niet. Soms maakt het dragen van een overhemd in plaats van een T-shirt al het verschil bij leerlingen. Maar door ze eerst te laten gissen en ze daarmee te confronteren, laat ik zien dat homoseksualiteit veel vaker voorkomt dan je zou verwachten en dat hun verwachting van hoe dat er standaard uitziet misschien niet atlijd klopt. En als het vooroordeel wel overeenkomt, leg ik uit dat een cliché ook bestaansrecht heeft.

Dus nee, ik vind het niet erg als je mij aanziet voor iemand die op vrouwen valt. Het is pas erg zodra je ervan uitgaat dat dat beter is dan wie ik echt ben.

Begin deze maand werd ik gevraagd plaats te nemen in een panel van een debatavond over diversiteit in het onderwijs. Toen ik bij de vragenronde een ander panellid vroeg hoe ik hem kon helpen met zijn doelen, wilde hij me aanspreken op mijn positie als witte man in mijn omgeving. Maar zijn zorgvuldig geformuleerde antwoord kreeg niet de verwachte reactie.

Hij: ‘De privileges zijn real. Het idee is dat jij je als – neem ik aan – witte, heteroseksuele man bewust bent van je positie.’

Ik, tot grote hilariteit van de zaal: ‘Nee, fout!’.

Om het plagerig wat erger te maken, gaf ik hem een ‘call me, baby’ terug in de microfoon. De chaos was compleet. Ondanks dat hij een goed punt had over bewustzijn van je plek in de maatschappij, was zijn conclusie over mij te snel. Hij gaf dat ruiterlijk toe, sprak uit alerter te willen zijn op zijn eigen beeldvorming van mensen en na afloop gaf hij me een knuffel. Een betere reactie kon ik me niet wensen. Samen gelachen, samen geleerd.

Paul (25) is actief als voorlichter voor COC Haaglanden, woont in Delft en werkt in Amsterdam. Hij luistert graag Joni Mitchell en Janis Joplin, studeerde Kunstgeschiedenis, draagt graag opvallende schoenen en zingt soms stiekem 'Una Paloma Blanca'.

Meer lezen of zelf interesse om voorlichter te worden? Neem eens een kijkje op de Facebookpagina van Voorlichting COC Haaglanden.

Foto: Peter van der Wal