Mounir Samuel

Mijn laatste rustplaats

Column

Leestijd: 5 minuten - door Mounir Samuel op 16 februari 2018

Het is gezellig druk op de Trans-Nieuwjaarsborrel in het Manor Hotel in Amsterdam-Oost, zij het met één soort publiek. Cis-gender personen? LHB’s zonder T? Ze zijn op een spaarzame enkeling na in geen velden of wegen te bekennen. Solidariteit is altijd makkelijk als het geen tijd en inzet vraagt.

In de hoek staat een tafel met een licht-roze-blauwe vlag eroverheen gedrapeerd. Er ligt een condoleanceregister voor de Vlaamse Mats. Hij was net begonnen met zijn hormoonbehandeling. Zijn ouders en familie stonden achter hem, toch is hij het volgende slachtoffer van wat ik de maatschappelijke bijwerkingen van een transitie noem. De gruwelijke eenzaamheid van altijd die ene uitzondering zijn in iedere familie, op ieder feestje, in elke kroeg. Onbegrepen, altijd aan het uitleggen, voortdurend mis-gendered, de angst, dat het nooit meer ophoudt, altijd zo door zal gaan, gegijzeld door een permanente staat van chronische onveiligheid, voortdurend teruggebracht tot het lichaam, zoals ook de hier aanwezige transpersonen - de meeste nog van kleur ook - iedere dag oplopen tegen de grenzen van de fysieke vorm.
Wij zijn de freaks van toen, het fenomeen van nu. Ik kan niet uitleggen wat het met de geest doet. Hoe de ziel bij iedere volgende opmerking en lange blik wordt opengereten. Hoe het voelt om zo afgestompt van zoveel opmerkingen, toespelingen, dat je niet meer weet hoe je jezelf moet voelen. Met de tanden op elkaar doorbijten dan maar. En maar staan voor die spiegel, kijken en bijna bezwijken bij de blik van de ander, door je eigen ogen heen. 

In een boek met foto’s schrijf ik een brief aan de ontroostbare ouders. Naar de woorden zoekend die ik zelf ook steeds minder heb. Ik wenk een vriend die ik in een poging tot meer diversiteit onder de aanwezigen heb meegenomen om samen op de binnenplaats een sigaretje te roken.

We zien een vrouwelijke hotelgast in een andere ruimte wanhopig naar iets zoeken.

‘Wat doet zij nu?’, vraag ik verbaasd.
‘Geen idee, maar ze is niet trans en echt f*cking aantrekkelijk’, zegt hij, cis en hetero als ‘ie is.
‘Wat zeg je nu?’, vraag ik scherp.
‘Nou dat ze niet trans is en echt een lekker ding.’
Hij kijkt me niet begrijpend aan en zegt dan: ‘Ja hallo, op transvrouwen val ik niet hoor.’

“Maar die vrouw kan op meer dan een complimentje rekenen. De beeldschone vrouwen die in hun jurkjes in het café staan worden weggekeken”

Daar sta ik met een half-opgebrande sigaret in m'n hand. As dwarrelt in de lucht. Door het ene raam zie ik tientallen transpersonen staan, vechtend om te zijn wie ze altijd waren. En daar achter het andere raam staat een vrouw die puur en alleen vanwege haar vermeende geboortegeslacht met gretige ogen wordt gevolgd.
Beiden worden teruggebracht tot hun lichaam. Beiden worden niet gezien voor wie ze zijn. Maar die vrouw kan op meer dan een complimentje rekenen. De beeldschone vrouwen die in hun jurkjes in het café staan worden weggekeken.

Het voelt alsof mijn keel wordt dichtgeknepen. Na twee jaar heldhaftige zelfhandhaving dringen de flashbacks zich aan mijn netvlies op. Daar golft de echo van al die stemmen: ‘en nu gaan we op zoek naar een echte man’, ‘sorry maar ik val niet op vrouwen’, ‘ja, trans is dus echt niet mijn ding’, ‘bel me als je de operaties hebt gehad, dan gaan we neuken’ (dit waren homomannen). M’n lichaam trilt. Overal handen. Het knijpen in spierballen. Het grijpen naar m’n kruis. Het prikken in de borst. Of ze er nog zitten. Of ‘ie nu echt is, die piemel van mij. De duw in de rug. Het harde geslacht tegen mijn kont. De klap.

Het geschreeuw naar iemands vrienden, voor mij niets dan vreemden: ‘Hé, moet je kijken, zij is trans.’ Of die zakelijke mededeling: ‘Jouw soort mensen helpen we hier niet’. Van de arts op de spoedeisende hulp die me weigerde te verbinden, de kapper, de masseuse, de sportschool-medewerker. Het lachen. Aan de telefoonlijn van de creditcardmaatschappij, de bank, de OV-chip die weigert m’n pas om te zetten, de telefoonmaatschappij die van geen naamsverandering weten wil, de gemeenteambtenaar die me mededeelt dat de omzetting allemaal wat langer duurt en ik het voorlopig zonder identiteitspapieren moet stellen, de douane die me aanhoudt, veiligheidspersoneel dat me opzij zet, winkelpersoneel dat me vraagt te vertrekken, barmannen die me geen drankje willen schenken, de club die me weigert, de Albert Heijn die mijn vrienden geen sigaretten verkoopt omdat ‘je Marokkaanse broertje’ minderjarig is.

“Transgender-personen zijn geen subcategorie van de mensheid. Wij zijn niet seksueel begeerlijk bij gratie van ons trans-zijn”

Mijn vriend begrijpt niet wat hij verkeerd heeft gezegd. ‘Ja hallo, er zijn ook mensen die niet op zwart vallen… of wit’, zegt hij snel.
Maar transgender-personen zijn geen subcategorie van de mensheid. Wij zijn niet seksueel begeerlijk bij gratie van ons trans-zijn. Ik heb ook m’n type en geaardheid, maar deze collectieve uitsluiting gaat om zoveel meer dan dat.

In de afkeer van mijn vriend van transvrouwen zit een verkapte homofobie, verscholen onder vele lagen van de-humanisatie. De angst voor dat wat tussen de benen zit of zat. Wat betekent dat zij geen haar zou zijn. Het samenzijn hem minder man zou maken.

Ik trap m’n sigaret uit. Vechtend tegen de flitsen van Amerikaanse tv-series, mannen die gillend ontdekken dat ze met een vrouw met ballen in bed zijn beland. Het publiek dat schaterlacht.

Voor mij geen onenightstand. Geen ongecompliceerd samenzijn. Geen sauna. Geen zwembad. Geen normale voorstelronde. Geen ongegeneerd tonen van foto’s. ‘Tja Mounir, daar heb je zelf voor gekozen’, zegt een vriendin een dag later. Opnieuw weet ik niet waar ik beginnen moet.

Terwijl de vriend in zich in een defensief pantser van omgekeerde verontwaardiging hijst, voel ik me opeens heel moe. Niet wetend hoe nog langer het onmogelijke uit te leggen keer ik terug naar binnen.
Daar zijn de enige twee aanwezige cis-gender personen - waaronder mijn eigen partner - niet bereid mijn vriend uit te leggen waarom zijn opmerkingen niet kunnen. Of in ieder geval getuigen van een totaal gebrek aan sensitiviteit op juist deze plek, bij deze borrel, de enige van het jaar waarin ik me even veilig acht, even niet hoef na te denken - zoals ik aanvankelijk dacht.
Verslagen vraag ik hen het woord te doen. Ze zwijgen. De vriend verzoekt om uitleg in een poging mijn reactie te begrijpen. Ze kijken haastig weg.

“Ik denk aan Mats en zijn eenzame einde. Heet zijn dood zelfmoord? Of heet het een vlucht uit een wereld die zo weinig van mensen als hij en ik overlaat?”

In de twee jaar van mijn transitie hebben mensen me voortdurend gevraagd hoe mijn transitie nu is voor mijn ouders, mijn zusje, mijn partner, mijn vrienden, mijn Egyptische familie, mijn Hollandse oma. Niemand vroeg me hoe die transitie was voor mij. Bij iedere pijnlijke opmerking buitelen mensen over elkaar heen in hun verwijten dat ik te scherp ben, te hard, te strak. Niemand die me vroeg wat het met mij doet. Of het nog wel gaat. Of ik nog wel kan zwemmen nu het water al zo lang aan de lippen staat.

Naar buiten. Terwijl ik op vochtige straatstenen neerzak, huppelt een jong meisje op me af die zich voorstelt als Lieselot.
‘Hé, wat is er aan de hand? Ik ben psycholoog en kan ál je problemen oplossen!’ zingt ze haast.
Niet langer bereid de volgende opmerking in de trant van ‘o ben je trans, echt waar, het is voor het eerst dat ik zo iemand ontmoet’ of ‘nou dan ben je goed gelukt hoor’ aan te horen staar ik voor me uit. Gelukkig weet Lieselot met haar krap anderhalve jaar psychologie precies wat er aan de hand is. Nadat ze me even onderzoekend aan heeft gekeken, concludeert ze: ‘Weet je wat jij hebt gedaan? Jij hebt iemand vermoord of verkracht!’
Ik kijk op. ‘Hoe kom je daar nu bij?’
‘Ja, als het allemaal zo erg is moet het dat wel zijn. Je hebt iemand vermoord of verkracht. Of nee, wacht, zit je in zo’n afrekening? Nou ik blijf gewoon naast je zitten. Goed hè?’
Dus ook dit is de tijd. Als een blonde jongen met blauwe ogen huilend op straat zit denken mensen dat zijn vriendin hem heeft gedumpt of z’n moeder is overleden. Als een gekleurde man emotioneel op straat zit is hij een moordenaar of verkrachter. En o wat zijn we trots op onze ruimdenkendheid. Ik sta op.
‘Ik ben trans Lieselot en niemand die dat begrijpt. Ik zwijg omdat ik je reactie vreesde. Omdat ik niet wilde weten hoe ook jij daarnaar kijkt.’
Ze zwijgt en ik loop weg.

Ik denk aan Mats en zijn eenzame einde. Heet zijn dood zelfmoord? Of heet het een vlucht uit een wereld die zo weinig van mensen als hij en ik overlaat? Ik bid voor hem en voor al die anderen. Mogen ze rusten op een plek waar alleen de schoonheid van de ziel bestaat.

Foto: Peter van der Wal

Advertentie
Advertentie
Delen op

Winq in je inbox

Meld je aan voor onze nieuwsbrief en ontvang wekelijks een overzicht van de beste artikelen.

Magazine #92

Deze keer: André van Duin, Dorian Bindels en 4 mannen over cosmetische ingrepen

Neem een abonnement

Geef cadeau