Interview

Shevan vluchtte naar Nederland nadat hij maanden vastzat in een Syrische cel

"Ik heb nog steeds nachtmerries over die tijd"

Leestijd: 10 minuten - door Roel Janssen op 19 mei 2018

In het begin van de Arabische Lente ging Shevan de straat op. Met een regenboogvlag demonstreerde hij tegen de zittende regering. “Het voelde als een droom, een kans deel uit te maken van vreedzame demonstraties.” Maar na een paar maanden sloeg de stemming om en werd zijn vriend opgepakt, vervolgens moest hij zelf ook naar de gevangenis en later vluchtten ze naar Nederland. Hij vertelt ons zijn heftige verhaal.

“Op mijn leeftijd zou ik vrienden en een familie moeten hebben, maar ze zijn allemaal weg. Tachtig procent van hen is overleden of vermist. Ik heb alleen mijn moeder en zus nog. Ik was lid van een homorechtenorganisatie. Nadat de Arabische Lente begon, hebben we zes maanden deelgenomen aan vreedzame demonstraties tegen het regime van Assad. Het was goed. Mijn doel was dat we op een dag onze rechten zouden krijgen, dezelfde rechten als iedereen. We wilden laten zien wat er allemaal gebeurde in Syrië, maar de situatie verslechterde. De Syrische autoriteiten begonnen op burgers te schieten.

Het was daar niet veilig. Mijn vriend werd als eerste opgepakt door de Syrische autoriteiten. Met andere activisten hadden we afgesproken niet onze eigen namen te gebruiken als we met elkaar communiceerden. Dat deden we zodat er geen kans was anderen te verraden als je werd opgepakt. Het zou anders als een soort domino-effect werken: als de een werd opgepakt, zou de ander dat ook worden. Mijn vriend wist wel mijn naam.

Nadat hij was opgepakt, zei iedereen dat ik het land moest verlaten. Ik had een vriend bij de Finse ambassade die visa regelde zodat mijn vriend en ik naar Finland konden, maar ik besloot te blijven. Mijn vriend zat namelijk nog steeds vast. Die vriend zei dat ik mijn vriend vanuit Finland kon helpen, dat geloofde ik niet. Hij zou doodgaan als ik zou vertrekken. Een maand later werd ik ook door de Syrische autoriteiten opgepakt.

Ik ging naar Damascus om mijn vriend vrij te krijgen, een moment later werd ik zelf opgepakt.

Op die plek werd ik opgepakt. Toen dat gebeurde, begon ik hard te schreeuwen en om me heen te trappen. Ik riep dat ik een advocaat nodig had, dat ik rechten had. Je moet weten: ik kijk veel actiefilms en herinnerde me dat ze dat altijd zeiden. Daardoor werden de mannen die mij hadden opgepakt alleen maar agressiever. Ze zeiden: 'Heb je een advocaat nodig? We gaan je er een laten zien.’
Dat was het moment dat ik besefte dat ik in Syrië woonde, in een land van angst.

In de gevangenis zeiden ze dat ze alles over me wisten. Dat ik alleen hoefde te bekennen. Je moet slim zijn en jezelf beschermen, ik deed dat door alle aantijgingen te ontkennen. Ik ging naar een kantoor waar een onderzoeksteam mij zou gaan onderzoeken, ze waren niet goed voor me. Ze waren agressief, sloegen me en zeiden uiteindelijk dat ze me naar een plek zouden brengen waar ik zeker zou bekennen.

Ik werd naar een kelder gestuurd in datzelfde gebouw. Het was een beetje donker en ik hoorde mensen huilen. Er stond een vrouw halfnaakt in de hoek, ze zei niets. Het was duidelijk dat ze haar verkracht hadden. Later kwamen ze naar mij, drie soldaten, ze dwongen me mijn kleren uit te doen en toen verkrachtten ze mij ook. Ze zeiden: ‘Wil je vrijheid? Dit is jouw vrijheid.’ Rond die tijd kwam er ook een andere jongen binnen. Hij was pas vijftien of zestien jaar oud. Een andere groep soldaten verkrachtte hem. Het was vreselijk, ik hoorde hem om zijn moeder roepen.

Als ik weer aan dat moment denk, voel ik me schuldig tegenover hem. Ik kan hem nog steeds horen. Ik zou willen dat ik hem kon helpen, maar dat kon ik niet. Ik kon mezelf niet eens helpen. Elke dag vraag ik mezelf af wat er met hem is gebeurd, of met de vrouw die als verdoofd in de hoek stond. Of ze nog leven.

Als ik naar het toilet moest, ging er een soldaat mee. Ze misbruikten me of gingen zichzelf aftrekken.

Toen ik wakker werd, lag ik op een plek die leek op een ziekenhuis. Het was natuurlijk geen ziekenhuis, maar het leek er wel op. Een man was aan het huilen. Later kwam ik erachter dat hij zijn been verloren had, maar dat ze hem geen medicatie gaven. Eens per dag mocht je naar het toilet. Het was een plek waar iedereen je kon zien zitten.

Een paar dagen daarna werd ik weer naar een kantoor gebracht. Daar zat dezelfde man die ik had gezien toen ik voor het eerst in die gevangenis kwam. Hij vroeg of ik wilde bekennen of dat ik weer terug naar de kelder wilde. Ik zei meteen dat ik alles zou bekennen.
Ze gaven me een wit papier waar veel op geschreven stond, je kon niet zien wat. Je moest een vingerafdruk op het papier zetten en daarmee had je bekend wat zij ook maar wilden dat je zou bekennen.

Ik werd vervolgens naar een andere gevangenis gebracht. Dat was ook een hel. Als ik naar het toilet moest, ging er een soldaat mee. Ze misbruikten me of gingen zichzelf aftrekken. Daar zat ik voor een maand vast. Het was afschuwelijk, je bent zelfs bang voor andere gevangenen.

Ik had geluk: een van mijn vrienden had genoeg geld om me uit de gevangenis te krijgen. Er werd me weer verteld dat ik het land moest ontvluchten, maar mijn vriend zat ondertussen nog steeds vast.
Mij misbruikten ze omdat ik klein ben, ze sloegen me en ik raakte daardoor snel buiten bewustzijn. Hij is sterker dan dat ik ben, maar bij hem hebben ze een paar ribben gebroken. Ik vermoed dat ze hem ook misbruikt hebben, maar daar heeft hij later nooit over gepraat.

Ik moest vijfduizend dollar betalen om hem vrij te krijgen, dat geld had ik niet. Op een moment kwam ik erachter dat je je nieren kon verkopen om aan geld te komen. Ik was op een punt dat te doen, er werd me verteld dat ik daarvoor naar een privéziekenhuis in Libanon moest. Omdat ik klein ben, zou het mijn dood kunnen worden, maar dat maakte me niet uit.
Een paar dagen voordat ik naar Libanon zou gaan, werd ik gebeld door mijn familie. Zij hadden samen met vrienden en een geestelijke geld bij elkaar gespaard om mijn vriend vrij te krijgen. We betaalden het geld en daarna werd hij vrijgelaten. We hebben Syrië zo snel mogelijk verlaten.

We kwamen uit in Libanon. Daar kregen we onderdak bij een kerk. We moesten vuilnis zoeken om aan geld te komen. Kijk, ik kom uit een rijke familie, het was een heel erg zware tijd.
We reisden maar wat door het land. Soms huurden we een kamer, maar werden er even later weer uitgegooid omdat ze erachter kwamen dat we uit Syrië kwamen. Mensen in Libanon houden niet van Syriërs.
Ook in Libanon was ik actief als activist. Ik ging naar demonstraties tegen Assad in de hoofdstad Beiroet. Daar zag ik vreselijke dingen: op een gegeven moment kwam er een bus met soldaten die wild om zich heen begonnen te slaan.

Het was vreselijk. Ik demonstreerde met een regenboogvlag, tot het moment dat er een groep homofobe demonstranten kwam die op ons in begon te slaan. We vluchtten snel een gebouw in, het leger deed ondertussen helemaal niets.

Ook in Nederland ben ik niet veilig.

Het was een zware tijd in Libanon. Gelukkig werden we in 2013 uitgenodigd om naar Nederland te komen. We moesten naar de ambassade en de Nederlanders organiseerden alles. We leerden de taal, kregen vliegtickets en aangekomen in Nederland een huis.

Vanaf het moment dat ik hier was, probeerde ik mijn leven te veranderen en over mijn trauma heen te komen. Ik begon te rennen, wel tien kilometer per dag. Als ik ren voel ik me vrij. Ook hier ben ik actief als activist. Ik doe dingen voor het COC en Amnesty International. Daar hang ik zelfs met een grote foto in hun gebouw.

Toch ben ik in Nederland ook niet veilig, ik hou van dit land, echt. Ik voel me na vier jaar meer Nederlands dan Syrisch, maar het is er niet veilig voor mij als homo-vluchteling. Ik ben al een aantal keer in elkaar geslagen. De eerste keer gebeurde dat door iemand uit Syrië die erachter kwam dat ik homo ben. Hij kwam naar me toe en viel me aan. Ik ging naar de politie, maar die zeiden dat ik er beter niet voor uit kon komen dat ik homo ben. Ze zeiden ook dat ik beter geen aangifte kon doen, dat zou alles alleen maar erger maken.

Ik had contact met politienetwerk Roze in Blauw, die waren goed voor mij. Ze zeiden dat ik toch aangifte moest doen, maar dat heb ik niet gedaan. Het vertrouwen in de politie ben ik kwijt. Voor ons, homoseksuele vluchtelingen, zijn de verwachtingen van Nederland heel erg hoog. Ik dacht dat ik in de hemel terecht zou komen, dat ik geen masker meer hoefde op te doen. Maar soms is Nederland een beetje een bubbel, ik weet dat dit een beter land is dan Syrië, maar ik ben ook hier al vaak teleurgesteld.

Ik ben in totaal al drie keer aangevallen. De tweede keer gebeurde dat na de Pink Shabbat tijdens Pride Amsterdam. Ik had nog een davidster en regenboogvlag om toen ik naar het station ging en daar gooide iemand bier in mijn gezicht. Later werd ik ook tijdens het hardlopen aangevallen en het ziekenhuis ingeslagen.
Ik ging naar de politie, was boos. Ze ondervroegen me meer dan veertig minuten. Vroegen of de dader een buitenlander was en of ik de volgende keer geen foto kon maken. Ik zei: 'Ik maak wel een selfie met de dader!'

Ik heb nog steeds nachtmerries, zie hoe mensen me misbruiken en hoe anderen vermoord worden. Soms voel ik me schuldig dat ik dit overleefd heb en anderen niet."

Advertentie

Winq in je inbox

Meld je aan voor onze nieuwsbrief en ontvang wekelijks een overzicht van de beste artikelen.

Magazine #90

Deze keer: Nicolaas Veul, kale knapperds en de mannen van Queer Eye

Neem een abonnement

Geef cadeau