Interview

De barricades op met Van der Vorst

Presentator Peter van der Vorst

Leestijd: 5 minuten - door Winq redactie op 30 mei 2018

Peter van der Vorst (46) is de wonderboy van RTL: alles wat hij aanraakt, scoort gouden kijkcijfers. Maar hij heeft een hoger doel. “Als ik dan toch over zulke riante budgetten beschik, dan wil ik ook programma’s maken waar mensen iets aan hebben.”

Peter van der Vorst wordt op 28 oktober 1971 geboren in Breda. Vader Jan is machinebankwerker bij Defensie, moeder Jeannie is huisvrouw. Hij studeert letteren in Utrecht en politicologie in Amsterdam, maar maakt geen van beide af, want hij wordt liever journalist. Tijdens zijn studie maakt hij radio, onder meer voor KRO-jongerenprogramma Popeye en als verslaggever voor homoprogramma Homonos. Op zijn negentiende solliciteert hij bij Henk Krol en gaat dan aan de slag voor de Gay Krant. Voor dat blad interviewt hij Albert Verlinde, die hem vraagt voor hem te komen werken bij het RTL 4-programma Showtime.
Na zijn overstap naar televisie gaat het hard. Hij presenteert showbizzprogramma’s, volgt het koningshuis op de voet, staat aan de wieg van RTL Boulevard, valt in bij RTL Late Night, bezoekt celebrity’s in Van der Vorst ziet sterren en levert aan de lopende band hulp-tv-programma’s af over arme, eenzame, gepeste, verslaafde, veroordeelde, overspannen, hamsterende en doodzieke mensen. Intussen werkt hij voor Van den Ende, Eyeworks en E.V.A. Media, totdat hij in 2009 voor zichzelf begint. Zes jaar later verkoopt hij zijn productiebedrijf Vorst Media aan Talpa – voor een onbekend bedrag, maar het is zeker dat Van der Vorst zijn schaapjes op het droge heeft.
Zijn halve leven lang werkte hij zestien uur per dag, soms verscheen hij in dezelfde week in vijf verschillende programma’s. Sinds hij vader is geworden, probeert hij het rustiger aan te doen. In 2011 verruilt hij zijn appartement in Amsterdam Oud-Zuid voor Abcoude, net over de provinciegrens in Utrecht. Hij koopt een vorstelijke woonboerderij met zes slaapkamers, een zwembad en een ruime tuin. Daar woont Peter van der Vorst samen met echtgenoot Sander (44), zoon Levi (10), katten Phil en Bill en labradorpuppy Molly.

Wat is de perfecte openingsvraag?
“‘Hoe gaat het met je?’ Daar begin ik zelf meestal mee. Dat geeft meteen een opening om verder te praten. Zou jij dat nu aan mij vragen, dan was mijn antwoord: mijn beide ouders zijn net overleden, daar ben ik van aan het bijkomen. Het is anderhalf jaar lang ellende geweest. Eerst werd mijn vader ziek, hij had bloedkanker en kreeg een herseninfarct, daarna werd bij mijn moeder uitgezaaide darmkanker geconstateerd. Rond Kerst escaleerde dat en snel daarna zijn ze beiden opgenomen in een hospice, want het einde was nabij. Half februari overleden ze, binnen een week na elkaar. Ineens viel alles weg: mijn ouderlijk huis, mijn basis in Breda, mijn jeugd... Dat is moeilijk te bevatten. Als je ouders één voor één overlijden is dat ook niet leuk, maar misschien iets makkelijker. Aan de andere kant heeft het ook wel iets moois. En gezien de situatie was het maar goed. Voor ons uiteindelijk ook.”

Ineens was je in je eigen televisieprogramma beland?
“Ik heb veel programma’s gemaakt die met ziekte en dood te maken hebben, ja. Zolang ik leef, over terminale mensen die moeten dealen met hun naderende dood. En Ik zorg voor jou, over overbelaste mantelzorgers. Nou, daar zat ik zelf ook tegenaan. Pas nu alles achter de rug is, merk ik hoe moe ik ben. Ik ben anderhalf jaar aan het mantelzorgen geweest, dat was pittig. Vier of vijf keer per week zat ik in het ziekenhuis in Breda, terwijl mijn gezin en werk intussen ook aandacht vereisten. Ik snap mensen die in zo’n situatie zitten nu beter. Niet dat ik dat programma nu anders zou maken, maar ik zou het meer vanuit mezelf kunnen maken. Wat wel hielp, is dat ik door dat programma de weg in de zorg kende en om hulp kon vragen. Ik wist wat er mogelijk was.”

Na de kroning zette je een punt achter het koningshuis. Opluchting?
“Ja, ik was er klaar mee. Had er geen plezier meer in, werd echt chagrijnig als ik het bij Boulevard wéér over dat koningshuis moest hebben. Ik heb het lang gedaan en het is een kleine wereld, dus dan komt er een moment dat je alles wel besproken hebt. Ik ben zó blij dat ik er niet meer achteraan hoef te hobbelen. Ik ben geen Oranjefan, nooit geweest. Als ik mee op reis ging, dan probeerde ik ook de absurde kant te laten zien, met humor. Dat mis ik nu in de royalty-journalistiek, men loopt er braaf achteraan. Op Koningsdag hoor ik volwassen radioverslaggevers kirren: ‘Oóóh, de prinsesjes gaan volleyballen!’ En vervolgens worden alle deelnemers ondervraagd: ‘Hoe vond u het om met de prinsesjes te volleyballen, deden ze het goed?’ Aargh... ik kan daar niet tegen. Kon ik toen ook niet. Dat heeft wel gezeik opgeleverd met de Rijksvoorlichtingsdienst en met Willem-Alexander, die mij negeerde. Maar ik wilde dat andere geluid laten horen, dat maakte het juist leuk.”

Is Jeroen Snel met Blauw bloed de belichaming van hoe het niet moet?
“Jeroen maakt zijn programma voor echte Oranjefans. Voor de oma’s die naar de EO kijken en van de koninklijke familie houden. Die bedient hij prima. Hoe de NOS het doet, dat vind ik kwalijker. Zij maken een neutraal nieuwsprogramma en daarin moeten ze ook kritisch durven zijn. Maar ze zijn heel slijmerig, staan kruipend langs de kant. De monarchie doet het momenteel prima, maar in de royalty-verslaggeving is weinig ontwikkeling. De koning gaat méér met zijn tijd mee dan zijn volgers.”

“Die episode vind ik nog steeds uitermate pijnlijk. Het voelde als een dolksteek in mijn rug”

Jouw rebelse aanpak was voor je collega’s juist de reden om jou te wippen.
“Dat is een onopgehelderd mysterie. Ik heb die club (Vereniging Verslaggevers Koninklijk Huis, red.) in 2002 mede opgezet, samen met Jan Hoedeman van en nog wat collega’s. Anderhalf jaar lang zat ik bij alle vergaderingen, totdat ik een mailtje kreeg: ‘Je bent niet meer welkom, omdat je bij Boulevard zit. Dat is een roddelprogramma en dat past niet.’ Terwijl Boulevard al lang bestond toen de club werd opgericht en er toen niets aan de hand was. De volgende dag gingen zij bij Willem-Alexander en Máxima op bezoek, om te smeken om af en toe eens een off-the-recordgesprek. Zij wisten dat ik in koninklijke kring niet gepruimd werd en dachten waarschijnlijk: als hij erbij zit, maken we geen schijn van kans. Ik werd geofferd. Frits Wester en Erik Mouthaan stapten er toen ook uit en ik kreeg steun van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, dus het was niet alleen maar matennaaierij, maar die episode vind ik nog steeds uitermate pijnlijk. Het voelde als een dolksteek in mijn rug.”

Dat rebelse is wel minder geworden; Van der Vorst ziet sterren is best braaf.
“In het begin wilde ik me onderscheiden door heel directe vragen te stellen. Dat paste toen misschien beter bij me, al moest ik het wel forceren. Liep ik daar een beetje brutaal te doen, ook bij filmsterren en zo, werd een paar keer weggestuurd, nou... leuk hoor. Dat voelde niet goed. Toen heb ik de knop omgezet en ben rechttoe rechtaan gaan interviewen, vanuit mijn eigen belangstelling. Dat werkt kennelijk, want het programma loopt al veertien seizoenen. Ik heb driehonderd gasten gehad en de kijkcijfers zijn nog steeds goed.”

Voel je je nog verbonden met de homogemeenschap?
“Met het uitgaansleven niet meer. Ik ging vroeger veel uit, heb alles gezien en gedaan, maar beleef nu meer plezier aan mijn gezinsleven. We hebben veel hetero- én homovrienden, waarmee we thuis eten of uit eten gaan. Ik vind de scene een beetje sneu, met al die gespierde mannen en zo. Dat je hele leven in het teken staat van dat gespierde lijf en daar zelfs pillen voor slikt. Dan denk ik: jongens, er is meer dan dat. Kom je boven een bepaalde leeftijd, tja, dan gaan dingen nou eenmaal hangen. Maar ik heb makkelijk praten, want ik hoef niet meer te scoren, ik heb een leuke man.”

Geen Rapido voor jou. Maar de homogemeenschap is meer dan uitgaan.
“De homo-emancipatiestrijd, ja, daarmee voel ik me wél verbonden. Het wordt er in de wereld niet leuker op. Met Sander en Levi kan ik niet op vakantie naar Rusland, want volgens Poetin bedrijven we dan homopropaganda. Ik kwam weleens in Istanbul, maar daar zou ik me nu niet meer prettig voelen. Of Amerika, waar Mike Pence nog steeds denkt dat je homo’s kunt genezen en waar Trump transgenders uit het leger verbant. En ook hier in Nederland: in de jaren tachtig en negentig was het fantastisch, maar dat is voorbij. Ik wind me op over zo’n Youp van ’t Hek, die vindt dat je gewoon ‘poot’ of ‘pisnicht’ moet kunnen zeggen. Hoe dom kun je zijn? Zet er scheldwoorden als ‘neger’ of bijnamen voor joden voor in de plaats en iedereen staat op zijn achterste benen. Maar ‘flikker’ moet je gewoon kunnen zeggen, daar moeten wij maar tegen kunnen. Daar word ik boos om.”

Verder lezen? Het hele interview met Peter van der Vorst staat in de laatste Winq die nu in de winkel ligt. Abonneer je hier.

Tekst: Sander Groen / Fotografie: Dario & Misja 

Advertentie
Advertentie

Winq in je inbox

Meld je aan voor onze nieuwsbrief en ontvang wekelijks een overzicht van de beste artikelen.

Magazine #91

Deze keer: acteur Majd Mardo, Michiel van Erp en een Berlin special

Neem een abonnement

Geef cadeau