Ik voel warme lichamen zich tegen dat van mij aan drukken. De geur van vers zweet komt me tegemoet. Een warmte overvalt me en alles wat ik om mij heen zie is donker. Voor even ben ik weg van deze wereld.

In eerdere columns heb ik mijn liefde voor de Prinsengracht geuit. Nu woon ik inmiddels alweer bijna een jaar aan mijn favoriete gracht, het mooiste plekje op deze aarde. Ben ik hierdoor genezen van mijn liefde? Zeker niet! Die is enkel gegroeid. Nog elke dag geniet ik van het uitzicht. Ik kan uren staren naar de mensen op de terrasjes aan de overkant of de toeristen die even stoppen voor een selfie voor mijn deur.

Ooit trok ik de vergelijking tussen de Prinsengracht en het leven. Lichtelijk wegdromend op mijn fiets mompelde ik toen zachtjes tegen mezelf: “Het leven is net de Prinsengracht. Vol hobbels en obstakels, maar als je goed om je heen kijkt is het prachtig.”


Ik fiets nog steeds elke dag over die geliefde gracht (ik moet wel, ik woon er immers) en sta nog steeds voor de volle honderd procent achter mijn levensmotto. Wel weet ik inmiddels dat het leven niet altijd als de Prinsengracht is. Soms geeft het leven je meer dan enkel wat hobbels en obstakels in de vorm van verwarde toeristen en losliggende straatstenen. En soms zit het zelfs even zo tegen dat goed om je heen kijken niet eens meer mogelijk is. Dan zie je simpelweg alleen maar duisternis. Dan is het leven net de metro.

Ik heb altijd al een hekel gehad aan het openbaar vervoer. Zelfs als ik drie minuten op de pont naar Amsterdam-Noord moet doorbrengen erger ik me al dood aan alle treurige gezichten om mij heen die er een sport van lijken te maken als eerste de pont op, en weer af, te kunnen gaan. Maar een tochtje met de pont valt in het niets bij mijn nieuwste ervaring: de metro. Elke ochtend fiets ik mijn geliefde Prinsengracht af op weg naar het Waterlooplein, waar ik sinds kort de metro naar mijn werk pak. 

Mijn drama begint al bij het feit dat ik ergens op tijd moet zijn. De metro komt niet wanneer ik besluit hem van het slot te halen, zoals mijn fiets. Nee, de metro komt op een vaste tijd. En laat ik nou net iemand zijn die dat wat minder makkelijk doet. En dus begint het er al mee dat ik iedere dag weer de metro mis. Ik kan er de klok op gelijk zetten. En dus ren ik vol stress de roltrappen af en het perron over om ook de volgende metro net voor mijn neus te zien wegrijden. 

Maar dan begint de hel pas echt. Piepende deuren openen en een warme damp komt me tegemoet. Te vol, volgende deur. Ook geen plek, volgende. Een piep ruist door mijn oren en de deuren beginnen zich weer te sluiten. Snel wurm ik mezelf tussen het metaal door, wring me langs twee chagrijnig kijkende mannen in pak en prop mezelf in een hoekje naast de noodrem. In een poging de blikken van de boze zakenmannen te negeren grijp ik naar mijn telefoon. Helaas, geen bereik. Wat nu? Gelukkig ben ik voorbereid. Vanuit de bodem van mijn tas haal ik krampachtig een boek tevoorschijn. Demonstratief klap ik het boek open, midden in het gezicht van een medereiziger. En zo breng ik de volgende twaalf minuten door met het boek als de enige barrière tussen mij en de warme kleffe zweetwalm van mijn medepassagiers. 

En dit hele proces herhaalt zich nogmaals aan het einde van een lange werkdag. Na opnieuw een rit van zo’n twaalf minuten komt er eindelijk een einde aan de donkere tunnel. Ik sprint samen met de menigte haastig de roltrap weer op. Na een tijdje durf ik weer om me heen te kijken. Gelukkig, de Prinsengracht. Ik heb jouw hobbels en obstakels gemist.

Foto: Peter van der Wal