Tijd I

            Ooit was er een meisje. Vlak voor dit alles begon. De eerste keer dat ik haar zag stond ze een ander meisje te zoenen aan de toiletten van de plaatselijke homobar. Om te plassen moest je je door de dansende mensenmassa heen wringen en ik gruw van andermans zweet op mijn armen. Geïrriteerd schuurde ik langs de zoenende meisjes en merkte op dat een van hen een aantrekkelijk achterhoofd had. Dat zijn dingen die soms blijven hangen.

            De tweede keer zag ik ook haar voorkant. Ik heb nog steeds geen idee hoe ik zo snel wist dat zij het was. Ze keek me aan. Ik keek terug. Ze draaide zich weg. Dat was dat. Toen zag ik haar opnieuw een meisje zoenen. Niet die van eerder, dacht ik. Maar zeker was ik daar niet van.
            Later op de avond kwam ze naar met toe en zei ze ‘Laat me weten wanneer je eens wilt afspreken,’ in mijn oor. Ze rook lekker.
            ‘Wie was dat?’ vroeg de vriendin met wie ik die avond iets zat te drinken.
            ‘Ik weet het niet,’ zei ik. En dat was niet gelogen.

            Tijdens onze eerste date zei ze dat ze wist dat ze op vrouwen viel toen haar lerares zich op een dag had voorovergebogen om een gevallen krijtje op te rapen. Ze noemde het zelf een heteronormatief cliché maar vroeg niettemin of ik een kokerrok in mijn kast had hangen.
            Ze drukte me tegen de muur en kuste me zoals ik het haar bij de anderen had zien doen.
            Ik vroeg niet of ze bleef slapen. Ze belde me wakker in het meest donkere uur van de nacht.
            ‘Ik ben geen relatiemateriaal,’ zei ik.
            ‘Prima,’ zei ze. ‘Wat denk je van een tienrittenkaart?’ 

            De ochtend waarop ze naast me wakker werd, zei ze dat ze had gedroomd.
            ‘Het was zomer en we zaten in de trein naar zee. Je hield niet op met vertellen en het waaide.’
            ‘Ja,’ zei ik.
            Dat is dus niet gebeurd. We kregen ongeveer twee weken. Ik had eerder moeten toegeven, denk ik nu. Het spijt me niet meer herinneringen bij me te hebben. 

Tijd II

            Ik zat met gekruiste benen naast haar in het park en keek naar haar beweeglijke gezicht. Wanneer ze nadacht trok er een groef over haar voorhoofd waardoor ze haar bril terug omhoog moest duwen. Dat ene gebaar kon secondenlang mijn wereld beheersen. Haar hand die mijn knie verliet, naar haar voorhoofd ging, de bril aandrukte en zich weer elders neerlegde.
            Soms struikelde ze over haar woorden, omdat ze niet wist wat eerst te vertellen. Ik word altijd verliefd op vrouwen die veel praten. Ooit was er eentje die zo lang doorging tot ik op de sofa in slaap viel. Zij kon er niet mee lachen. Het Meisje droeg die dag in het park een defect uurwerk met een ouderwetse wijzerplaat. Omdat ze het mooi vond en omdat ze zich naar eigen zeggen wilde verzetten tegen de digitale rommel die mensen tegenwoordig droegen. Als ik haar een compliment gaf draaide ze onwennig aan de werkloze opwindas. Ze zei dat Owner of a Lonely Heart haar favoriete eightiesnummer was en dat wist ik. Ik had het haar zachtjes horen zingen in de douche:
            Give your free will a chance
            You’ve got to want to succeed
            Owner of a lonely heart
            Owner of a lonely heart
            (Much better than a)
            Owner of a broken heart 

            Het was de laatste keer dat ik haar zag. Die dag in het park. Politieagenten loodsten ons als vee terug naar onze huizen. De volgende ochtend kwam het bericht dat we de deur niet meer uit mochten. De mensen die het toch deden, werden opgepakt. Toen het aantal protesterende mensen op straat niet meer te overzien was, of de plaatsen waar ze heengebracht werden te vol raakten, dat weet ik niet, werden onze deuren dichtgetimmerd. Ik hoorde de echo van de boormachines in de gang en het bevestigen van de ijzeren balken deed de muren trillen. Daarna werd het stil.

            Had ik dit geweten dan had ik Het Meisje misschien mee naar huis genomen. Die dag. Dan was ik nu niet alleen. Maar als ik uit mijn raam kijk weet ik dat dit een foute redenering is. In de eerste dagen van de afzondering konden overbuurman en overbuurvrouw niet van elkaar afblijven. Eén blik tussen hen was voldoende. Het koppel was in de kleine studio getrokken toen ik hier al een tijdje woonde. Ik zag hen sjouwen met planten en tafels en stoelen. Toen het tijd was voor de gordijnen werd de Opsluiting afgekondigd dus bleven we noodgedwongen elkaars handelingen volgen. In het begin wuifden we nog richting elkaars ruit. Een groet bij het wakker worden en voor het slapengaan. Maar na een paar maanden lieten zij of ik, ik weet niet meer wie het initiatief nam, ook dat achterwege.

Project I

            Een van de projecten waarmee ik na een een jaar van Opsluiting mijn dagen besloot te vullen, bestaat uit het noteren van de aanwezigheid van de overburen in de ruimte. Ik had een plan van hun studio getekend waarop ik dagelijks twee stipjes verplaatste. Eerst lag het blauwe stipje op het rode. Daarna zaten de stipjes met de rug naar elkaar, voor zover stipjes daartoe in staat zijn. Na veertien maanden bevolkten ze elk de verste hoek van de kamer. Waar ze soms heen en weer wiegden. Volgens mij deden ze dat om elkaar niet te lijf te gaan. In een schriftje noteer ik elke dag hun breedtegraden. Door hun bestaan een plaats en een tijd toe te kennen, probeer ik relevantie in mijn leven te brengen.

            Het ziet er dus ongeveer zo uit:
            16.03.2020
            Rood: 51.210660°N - 4.401920°E
            Blauw: 51.210660°N - 4.401920°E

            Later werd dat:
            28.11.2021
            Rood: 51.210660°N - 4.401920°E
            Blauw: 51.21074°N - 4.401898°E

            Ik werd hierdoor geïnspireerd door het werk van Tehching Hsieh, van wie er al jaren een foto in mijn atelier hangt en voor wie kunst uit het leven zelf komt. Hij wijdde het zijne aan het zichtbaar maken van het ontastbare.
            In een interview zei hij ooit: ‘Veel mensen zoeken tegenwoordig hun antwoorden over het leven in de spiritualiteit. Maar voor mij is leven het voorbijgaan van de tijd. Niet hoe je de tijd doorbrengt, maar de aanvaarding van het verstrijken op zich. Veel mensen zien mijn werk als een spirituele beleving, maar eigenlijk ben ik enkel tijd aan het consumeren. Dat is alles.’
            Ik bedacht dat het dagelijks in kaart brengen van de nabijheid en afstand van mijn overburen niet alleen structuur aan mijn leven zou geven, maar ook een boeiende bezigheid zou zijn. Ik ben nog steeds niet zeker van dat laatste, maar het maakte alvast duidelijk dat mensen onvoorspelbaar zijn. In tegenstelling tot wat ik in een eerder stadium had verwacht, kon ik zelfs na een jaar niet voorspellen wat hun volgende zet was. Maar dat kan ook aan mij liggen.

Project I

            ‘Je bent aan het verdwijnen,’ zei de online therapeut die we wekelijks kregen toegewezen. Ik wist dat ze gelijk had. We waren toen nog maar een half jaar in Opsluiting. Drie therapeuten had ik reeds versleten voor ik bij haar op de virtuele bank lag. Ik testte hen. Me compleet onbewust van het feit dat ik hiermee enkel mezelf strafte terwijl het hen weinig tot niets kon schelen. Ik vroeg welke filosofen ze hadden gelezen. Als mijn top drie niet in de lijst stond kon ik hen niet serieus nemen. Ook diegene die crackers at tijdens onze sessie, was geen lang leven beschoren. Ik fixeerde me zo hard op de kruimels die op zijn hemd waren gevallen dat hij ze een beetje beschaamd wegveegde en ik mijn blik verplaatste naar mijn toetsenbord, ter hoogte van wat bij hem het tapijt moest zijn. Deze vrouw was anders. Ze hield mijn lichaamstaal nauwgezet in de gaten en kon aan mijn schouders en handen afezen wanneer ze kon verdergaan of wanneer ik mijn laptop zou dichtklappen. Ze had dus een punt, toen ze opmerkte dat ik aan het verdwijnen was. Ik voelde het zelf al een tijdje aankomen.
            Hoe het voelt om te verdwijnen? Het voelt alsof je langzaam vervaagt en onzichtbaar wordt, en in deze omstandigheden was het ook zo. Niemand had je nodig, niemand was nodig. ‘Zoekraken’ zegt het woordenboek ook. Maar op dit moment werd ook niemand meer gevonden. Sommige mensen verdwijnen door drank of drugs. Anderen stoppen met eten. Ik deed het door mezelf in te kapselen. Mezelf zo naar binnen te keren dat er niets meer zou overblijven op het moment dat ik implodeerde. Dus ik verzon dat burenproject.
            Ik zou mijn overburen door hun kamer laten reizen. Waar ze waren, hoe ze zich verhouden tot de meubels en wat de plaats met hen deed, hoe die ruimte daardoor transformeerde. Het klinkt ingewikkeld, maar dat was het niet. Althans niet voor mij. Het was een oefening in voelen en in zijn, en ik had een nieuw schrift om deze evolutie op te schrijven en alles te onderbouwen. Het eindresultaat zou misschien wel een boek worden. Liever had ik hier een fotoproject van gemaakt. Maar ik had geen camera. En mijn smartphone was een maand geleden stukgegaan.

Ruimte I

            Ik herinner me dat ik Het Meisje een afbeelding van mijn favoriete kunstwerk toonde en zei dat ik gefascineerd was door onzichtbare ruimte. Met A cast of the space under my chair maakte Bruce Nauman een cementen afgietsel van de zogeheten negatieve ruimte onder zijn stoel. Hierdoor bracht hij de aandacht naar dat deel van de stoel waar we normaal gezien geen interesse voor tonen. Namelijk de niet zichtbare ruimte die eronder zit. We zien deze ruimte niet, maar kunnen haar wel conceptualiseren, waardoor we worden herinnerd aan de belangrijkheid van het object als een geheel.
            De truc om niet te verdwijnen was jezelf, anderen en alles om je heen een plaats geven binnen een ruimte, en documenteren hoe die ruimte transformeert door jouw aanwezigheid.
            ‘Dus als ik dit doe,’ en ze legde twee vingers in de kuiltjes onderaan mijn rug, ‘vul ik je negatieve ruimte?’ De afbeelding van A cast of the space under my chair hangt nog steeds aan mijn muur en ik vraag mij vaak af hoe ik de ruimte tussen mijn buren tastbaar kan maken. Dat wordt mijn tweede project.

            Vragen die ik me ook vaak stel zijn: hoe maak ik mijn leven in deze situatie relevant? Hoe zorg ik ervoor dat ik mijn tijd goed besteed? Wat wil ik verwezenlijkt zien als er ooit een ‘hierna’ komt?
            De sleutel tot het postapocalyptische denken zit in ons voorstellingsvermogen.
            Einstein zag het heelal op een andere manier door gedachteexperimenten uit te voeren. Op zijn zestiende stelde hij zich voor hoe hij op een lichtstraal reisde. Die reis leidde hem uiteindelijk tot zijn relativiteitstheorie.

            Om de toekomst vorm te geven ben ik op mezelf aangewezen en niemand van buitenaf kan mij hierbij helpen. De communicatielijn wordt een halfuur per dag ingeschakeld. Een van die halfuren wordt wekelijks door de therapeut ingevuld. In het eerste jaar mét, daarna zonder beeld. Driemaal een halfuur per week is voorbehouden voor het nieuws, waarvan niemand meer kan zeggen of het ‘fake news’ is of niet, want er is geen internet meer om het na te trekken. In de tijd van de drie andere dagen is het toegelaten om met vrienden te communiceren. Hun namen kun je elke week doorgeven en daar moest je heel goed over nadenken. Het is namelijk verbazingwekkend hoe snel je bent uitgepraat als je niets meer om handen hebt. De naam van Het Meisje kan ik niet op de lijst zetten want ik ken enkel haar voornaam.
            Dat het computerscherm ondertussen niet meer werkt heeft misschien wel zijn voordelen want ik weet niet hoe ik eruit zie, maar ik kan me er wel een voorstelling bij maken. Elke twee weken worden er een pak rijst en een paar blikken voedsel door een kier in de deur gegooid. Mijn huid barst door het gebrek aan vitamines. Spiegels heb ik al lang niet meer. Die gooide ik vier maanden na de Opsluiting door het raam uit angst dat ze zouden breken en ik zeven jaar ongeluk over mezelf zou afroepen.

Tijd III

            Het Meisje bladerde door mijn exemplaar van Hiroshima mon amour en had luidop gelezen: ‘Hoe had ik kunnen weten dat deze stad groot genoeg was voor de liefde? Hoe had ik kunnen weten dat jouw lichaam zo perfect bij het mijne paste?’
            ‘Ja, daar komt het misschien wel op neer,’ had ik gezegd.

‘Wat is jouw sterrenbeeld?’ Had ze gevraagd.
            Haar vinger drukte in mijn lijf en bleef liggen in het kuiltje van mijn hals. Tijd werd statisch en elk moment met haar stond, als de haartjes op een arm wanneer de wind opsteekt, recht overeind. Ze duwde op mijn lippen en ik lispelde een antwoord waarmee ze tevreden leek te zijn.
            ‘Dan ben je betrouwbaar… artistiek… kalm… humeurig…’
            Ze haalde haar vinger uit mijn mond en met elk woord tikte ze een van mijn ribben aan. Ze gaf mijn kenmerken een plaats op mijn lijf. Een letterzetter die zonder inkt mijn constellatie in kaart bracht. Ze schoof haar vingers naar beneden, en infltreerde de onzichtbare ruimte van mijn navel. 

            Hoe had ik kunnen weten dat jouw lichaam zo perfect bij het mijne paste? Soms fuister ik de zin zachtjes voor me uit. Er zitten bepaalde uren in een dag waarop het verdwijnen het felst is. Wanneer de zon ondergaat en er nog een laatste moment van schoonheid door de ramen straalt. Hoe had ik kunnen weten dat jouw lichaam zo perfect bij het mijne paste? Die behoefte aan de huid van een ander is vaak ondraaglijker dan de herinnering eraan.
            Het zijn dit soort momenten waarop ik mijn landkaart uitrol en met mijn vinger de route volg die ik in een ver verleden heb afgelegd en de routes die ik nog wil nemen. Voor het brein, zijn fantasie en realiteit chemisch identiek. Dat probeer ik me voor te houden. Soms kijk ik naar mijn bed en verbeeld ik me de afdruk te zien die haar lijf erin heeft achtergelaten, meer dan twee jaar geleden. En ik probeer te luisteren naar haar stilte. 

Project I - Einde

            De overbuurvrouw heeft de overbuurman deze ochtend met een pan op het hoofd geslagen. Hij beweegt al een paar uur niet meer. Zij ook niet.

            22.01.2022.
            Rood: 51.210660°N - 4.401920°E
            Blauw: 51.210660°N - 4.401920°E

Omslagbeeld: © David Degelin